ECLI:NL:RBDHA:2025:6477

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
16 april 2025
Publicatiedatum
17 april 2025
Zaaknummer
NL24.51436
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand · 2 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing beroep tegen mvv-vereiste voor Turkse zelfstandige arbeid

Eiser, een Turkse onderdaan, diende op 5 maart 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als zelfstandige. De minister van Asiel en Migratie wees deze aanvraag op 28 mei 2024 af wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv), waarvan eiser niet was vrijgesteld. Na een bezwaarprocedure handhaafde de minister het besluit op 2 december 2024.

Eiser stelde beroep in bij de rechtbank Den Haag en voerde aan dat het toepassen van het mvv-vereiste in strijd is met het Turks associatierecht. De rechtbank stelde vast dat een meervoudige kamer van dezelfde rechtbank op 1 november 2024 al had geoordeeld dat het mvv-vereiste voor Turkse zelfstandigen rechtmatig is. Tevens verwees de rechtbank naar een uitspraak van 9 april 2025 waarin dezelfde gronden waren besproken en verworpen.

De rechtbank concludeerde dat de beroepsgronden van eiser identiek zijn aan eerdere verworpen gronden en verklaarde het beroep daarom ongegrond. Eiser kreeg geen terugbetaling van het griffierecht en geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter G.A. van der Straaten en griffier S.M. Hampsink op 16 april 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning regulier als zelfstandige wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.51436

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 16 april 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. I. Özkara),
en

de minister van Asiel en Migratie

Procesverloop

1. Eiser heeft de Turkse nationaliteit. Hij heeft op 5 maart 2024 een aanvraag ingediend tot het verlenen van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor arbeid als zelfstandige.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag op 28 mei 2024 afgewezen, omdat eiser niet in het bezit is van een geldige mvv en hij niet van dit vereiste wordt vrijgesteld. Met het bestreden besluit van 2 december 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of zij het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

2. In deze procedure gaat het om de vraag of de minister het mvv-vereiste kan tegenwerpen aan eiser, een Turks onderdaan die een aanvraag voor arbeid als zelfstandige heeft ingediend. Volgens eiser is dat in strijd met het Turks associatierecht.
2.1.
De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft in een uitspraak van 1 november 2024 een beroep tegen het toepassen van het mvv-vereiste als zelfstandige afwijzingsgrond bij Turkse onderdanen ongegrond verklaard. [2]
2.2.
Eiser heeft in zijn beroepschrift en zijn nadere reactie toegelicht waarom hij het niet eens is met die uitspraak en waarom het tegenwerpen van het zelfstandige mvv-vereiste volgens hem niet is toegestaan.
2.3.
De rechtbank stelt vast dat deze beroepsgronden overeenkomen met de gronden die de gemachtigde van eiser in andere procedures naar voren heeft gebracht. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft die gronden besproken in een uitspraak van 9 april 2025, [3] waarin is geoordeeld dat er geen aanleiding is om af te wijken van de uitspraak van 1 november 2024. Aangezien de gronden van eiser identiek zijn, komt de rechtbank onder verwijzing naar die uitspraak van 9 april 2025 tot het oordeel dat ook eisers beroep ongegrond is.

Conclusie en gevolgen

3. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.A. van der Straaten, rechter, in aanwezigheid van
mr. S.M. Hampsink, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.