ECLI:NL:RBDHA:2025:6422
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit inzage persoonsgegevens in Fraude Signalering Voorziening wegens onvoldoende motivering
Eiser verzocht op grond van de AVG inzage in zijn persoonsgegevens die in de Fraude Signalering Voorziening (FSV) waren opgenomen. De minister van Financiën wees het verzoek gedeeltelijk toe en weigerde inzage in bepaalde gegevens, waaronder de naam van de organisatie of persoon die de melding deed, met verwijzing naar uitzonderingsgronden uit de AVG en UAVG en het belang van een ongestoorde gedachtewisseling.
De rechtbank oordeelde dat het besluit onvoldoende was gemotiveerd, met name omdat de minister nieuwe argumenten aanvoerde in beroep die niet in het oorspronkelijke besluit waren opgenomen. De rechtbank stelde vast dat het recht op inzage zwaarder weegt dan het belang van bescherming van derden, tenzij dit laatste voldoende is gemotiveerd.
Hoewel de rechtbank erkende dat de minister de naam van de melder mocht weigeren op grond van artikel 41 UAVG Pro vanwege belangen van medewerkers, vond zij dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom ook andere gegevens geweigerd moesten worden op basis van het belang van ongestoorde gedachtewisseling. Dit leidde tot vernietiging van het besluit en de opdracht aan de minister om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen.
Daarnaast werd de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiser. De rechtbank zag af van het opleggen van een bestuurlijke lus en nam geen eigen beslissing over het inzageverzoek. De uitspraak werd gedaan door rechter Mollen op 16 april 2025.
Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen.