ECLI:NL:RBDHA:2025:6287

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
15 april 2025
Publicatiedatum
15 april 2025
Zaaknummer
Awb24.20235
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • A.S. Gaastra
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:6 AwbArt. 7:3 AwbArt. 41 Aanvullend ProtocolArt. 9 Associatieovereenkomst
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing zevende aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige wegens geen nieuwe feiten

Eiser, van Turkse nationaliteit, heeft tussen 2005 en 2025 zes keer een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning als zelfstandige, alle afgewezen. De minister wees ook de zevende aanvraag af omdat geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden waren aangevoerd.

Eiser stelde dat hij een nieuw ondernemingsplan en financiële stukken had overgelegd en dat tijdsverloop als nieuw feit geldt. Ook betwistte hij het mvv-vereiste en de schending van de hoorplicht. De rechtbank oordeelde dat het laatste ondernemingsplan al bij de zesde aanvraag was ingediend en dat tijdsverloop zonder nadere toelichting geen nieuw feit is.

De rechtbank bevestigde dat het mvv-vereiste niet als nieuw feit geldt en dat de minister terecht toepassing gaf aan artikel 4:6 Awb Pro. De hoorplicht was niet geschonden omdat eiser en zijn gemachtigde de stukken ontvingen en de minister op grond van de aangevoerde bezwaren van horen kon afzien.

Het beroep werd ongegrond verklaard en eiser krijgt geen proceskostenvergoeding.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de zevende aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 24/20235

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 15 april 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. S. Süzen),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. A.N. Sap)

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een reguliere verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige.
1.1.
De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 16 november 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 8 november 2024 op het bezwaar van eiser (het bestreden besluit) is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 17 maart 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en zijn gemachtigde hebben zich afgemeld.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van eisers aanvraag. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Achtergrond van deze zaak
4. Eiser is van Turkse nationaliteit. Hij heeft tussen 2005 en 2025 zes keer een aanvraag ingediend voor verblijf in Nederland in het kader van het verrichten van diensten als zelfstandige. Eiser heeft namelijk een onderhoudsbedrijf, genaamd ‘[naam bedrijf]’. Deze aanvragen zijn alle afgewezen en de afwijzingen, met uitsluiting van de vijfde aanvraag, zijn inmiddels onherroepelijk. Op 17 november 2020 is ook een terugkeerbesluit opgelegd aan eiser. Het nu bestreden besluit heeft betrekking op eisers zevende aanvraag voor het verrichten van diensten als zelfstandige.
Het bestreden besluit
5. De minister heeft eisers zevende aanvraag afgewezen omdat sprake is van een herhaalde aanvraag en eiser geen nieuwe feiten of omstandigheden naar voren heeft gebracht. [1]
Heeft de minister eisers aanvraag mogen afwijzen?
6. Eiser betoogt dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat geen nieuwe feiten en omstandigheden zijn aangevoerd op grond waarvan de aanvraag als een herhaalde aanvraag is afgedaan. Daartoe voert eiser aan dat hij een compleet ondernemingsplan heeft overgelegd met nieuwe financiële stukken. Daar komt bij dat alleen het tijdsverloop al als nieuw feit kan worden aangemerkt. Bovendien is ten onrechte het mvv [2] -vereiste tegengeworpen.
6.1.
De rechtbank overweegt als volgt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) [3] is een bestuursorgaan in het algemeen bevoegd om een herhaalde aanvraag of een verzoek om terug te komen van een besluit inhoudelijk te behandelen en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Het bestuursorgaan kan er ingevolge artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ook voor kiezen om, als er volgens hem geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, de herhaalde aanvraag af te wijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende besluit. Als het bestuursorgaan - overeenkomstige - toepassing geeft aan artikel 4:6, tweede lid, van de Awb, dan toetst de bestuursrechter aan de hand van de aangevoerde beroepsgronden en eventueel door het bestuursorgaan gevoerd beleid, of het bestuursorgaan zich terecht, en zorgvuldig voorbereid en deugdelijk gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn. Als de bestuursrechter tot het oordeel komt dat het bestuursorgaan zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn, dan kan dat afwijzing van de aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit in beginsel dragen. De bestuursrechter kan aan de hand van wat de rechtzoekende heeft aangevoerd ook tot het oordeel komen dat het besluit op de herhaalde aanvraag of het verzoek om terug te komen van een besluit evident onredelijk is.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zich geen nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden voordoen. De rechtbank stelt vast dat eiser bij de huidige aanvraag geen nieuw ondernemingsplan heeft overgelegd. Het laatste ondernemingsplan is bij de zesde aanvraag overgelegd. Deze is afgewezen en dit besluit is inmiddels onherroepelijk. Dat er inmiddels tijd is verstreken maakt niet dat sprake is van een nieuw gebleken feit of veranderde omstandigheid. Immers, eiser heeft niet toegelicht hoe de situatie hierdoor is veranderd. De minister heeft zich ook terecht op het standpunt gesteld dat het mvv-vereiste geen nieuwe feit of veranderde omstandigheid is, nu het mvv-vereiste in de vijfde aanvraag van 29 september 2022 al is tegengeworpen. De minister heeft er daarom in beginsel voor kunnen kiezen om eisers herhaalde aanvraag met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb af te doen.
6.3.
De rechtbank moet vervolgens beoordelen of toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb evident onredelijk is. Voor zover eiser heeft beoogd te betogen dat het besluit evident onredelijk is omdat hem ten onrechte eerder (bij de vijfde aanvraag) het mvv-vereiste is tegengeworpen slaagt dit betoog niet. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 1 november 2024 [4] , waarin de rechtbank heeft geoordeeld dat het mvv-vereiste niet in strijd is met artikel 41 van Pro het Aanvullend Protocol, artikel 9 van Pro de Associatieovereenkomst en evenmin met het discriminatieverbod. De beroepsgrond slaagt niet.
Heeft de minister de hoorplicht geschonden?
7. Tot slot betoogt eiser dat het bestreden besluit is genomen zonder dat hij is gehoord. De minister heeft daarmee de hoorplicht geschonden nu de informatie die eiser alsdan zou verstrekken, cruciaal was voor de te nemen beslising. Te meer omdat in de bezwaarprocedure de aanvraag en de stukken die daaraan ten grondslag lagen, ontbraken in het dossier. Het dossier was niet compleet en de minister had deze stukken niet toegezonden naar ondergetekende.
7.1.
Ten aanzien van het betoog van eiser dat de hoorplicht is geschonden, oordeelt de rechtbank als volgt. In het aanvullend bezwaarschrift van 14 juni 2024 heeft de gemachtigde van eiser gevraagd om de onderliggende stukken. De minister heeft de gemachtigde op 13 september 2024 een brief gestuurd waarin staat dat daarbij de stukken zoals verzocht in haar brief van 14 juni 2024 gevoegd zijn. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat de gemachtigde van eiser de onderliggende stukken heeft ontvangen. Vervolgens heeft de minister op 8 november 2024 het bestreden besluit genomen. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn betoog dat hij gehoord had moeten worden omdat sprake was van een incompleet dossier, dan wel dat zijn gemachtigde hierover niet beschikte. Dat eiser mogelijk nog informatie had kunnen geven tijdens een hoorzitting in bezwaar is geen reden om schending van de hoorplicht aan te nemen. Immers de plicht om te horen in bezwaar is afhankelijk van wat eiser in bezwaar heeft aangevoerd. [5] Eiser heeft in bezwaar enkel het mvv-vereiste betwist. Zoals onder 6.3 overwogen was op voorhand duidelijk dat dit niet kon leiden tot een andersluidend besluit. De minister heeft dan ook met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb van horen kunnen afzien. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van mr. B. Göbel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op:
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 4:6 van Pro de Awb.
2.Machtiging tot voorlopig verblijf.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918, r.o. 5.1.