ECLI:NL:RBDHA:2025:6160
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- G.A. Bouter - Rijksen
- Rechtspraak.nl
Afwijzing asielaanvraag op grond van Dublinverordening wegens verantwoordelijkheid Slovenië
Eiser diende op 27 december 2024 een asielaanvraag in Nederland in, maar uit Eurodac-onderzoek bleek dat hij eerder op 18 november 2024 een verzoek om internationale bescherming in Slovenië had ingediend. Nederland verzocht Slovenië om terugname, wat werd geaccepteerd. De minister nam de asielaanvraag niet in behandeling op grond van artikel 30 van Pro de Vreemdelingenwet 2000, omdat Slovenië verantwoordelijk is volgens de Dublinverordening.
Eiser voerde aan dat bijzondere omstandigheden, zoals langdurige wachttijd, een Nederlandse partner, discriminatie in Slovenië en medische problemen, maken dat Nederland zijn aanvraag moet behandelen. De rechtbank oordeelde dat deze gronden onvoldoende gemotiveerd waren en verwees naar jurisprudentie dat een herhaling van zienswijzen zonder onderbouwing ontoereikend is.
Met betrekking tot de medische situatie en het risico op onmenselijke behandeling verwees eiser naar het arrest C.K., maar leverde geen objectieve medische stukken aan. De rechtbank concludeerde dat geen reëel risico op onmenselijke of vernederende behandeling bij overdracht aan Slovenië is aangetoond.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en bevestigde het besluit van de minister. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan door rechter G.A. Bouter - Rijksen en griffier F. Horst - van Dee.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het besluit blijft in stand.