ECLI:NL:RBDHA:2025:5684

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 april 2025
Publicatiedatum
7 april 2025
Zaaknummer
NL25.13520
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 Vreemdelingenwet 2000Art. 5.1b Vreemdelingenbesluit
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen maatregel bewaring vreemdeling wegens risico op onttrekking aan toezicht ongegrond verklaard

De rechtbank Den Haag behandelde het beroep van een Algerijnse vreemdeling tegen het besluit van de minister van Asiel en Migratie om een maatregel van bewaring op te leggen op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. De minister stelde dat de bewaring noodzakelijk was vanwege het risico dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken, onderbouwd met meerdere zware gronden.

Eiser betwistte enkele gronden en voerde aan dat de minister onvoldoende voortvarend zou handelen bij de uitzetting en dat er geen zicht zou zijn op uitzetting naar Algerije. De rechtbank oordeelde dat de zware gronden voldoende en juist waren gemotiveerd en dat de minister voortvarend handelde, onder meer door het tijdig verzenden van een laissez-passer aanvraag en rappel aan de Algerijnse autoriteiten.

Daarnaast verwees de rechtbank naar jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin werd bevestigd dat in het algemeen zicht op uitzetting naar Algerije bestaat, ook voor ongedocumenteerden. De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en wees ook het verzoek om schadevergoeding af. Er was geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: De rechtbank verklaart het beroep tegen de maatregel van bewaring ongegrond en wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.13520
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. V. Senczuk),

en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. G. Cambier).

Procesverloop

Bij besluit van 22 maart 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 31 maart 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen H. Jafoute. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1998.
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten
of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. Eiser betwist de lichte grond onder 4d. De rechtbank is van oordeel dat de niet betwiste zware gronden onder 3a, 3b en 3c feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen, omdat hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht blijkt. De rechtbank laat de door eiser betwiste grond om die reden verder onbesproken.
Voortvarend handelen
4. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Op 8 november 2024 is een aanvraag voor een laissez-passer verzonden aan de Algerijnse autoriteiten. Op 20 maart 2025 is voor het laatst een rappel verzonden. Het is voor eiser onbekend wat er in de periode tussen deze twee data is gedaan door de minister ten behoeve van de uitzetting van eiser.
5. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Het meest recente rappel is door de minister op 20 maart 2025 verzonden aan de Algerijnse autoriteiten. De minister is afhankelijk van de
Algerijnse autoriteiten omdat eiser geen identiteitsdocumenten heeft en een laissez-passer nodig is voor de uitzetting van eiser. Daarbij is op 28 maart 2025 een vertrekgesprek gevoerd met eiser. Deze handelingen zijn voldoende om de oordelen dat de minister voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting
6. Eiser stelt dat er in zijn geval geen zicht is op uitzetting naar Algerije. Hiertoe voert eiser aan dat zonder cijfermatige onderbouwing geen conclusie kan worden getrokken met betrekking tot het zicht op uitzetting naar Algerije. De laissez-passeraanvraag voor eiser is al sinds 8 november 2024 in behandeling en nog steeds is er geen reactie van de Algerijnse autoriteiten ontvangen.
7. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende gemotiveerd heeft dat er in algemene zin zicht is op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 mei 2024, 15 juli 2024 en 4 februari 20251, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen ook voor ongedocumenteerde vreemdelingen naar Algerije niet ontbreekt. Op de zitting heeft de minister, naar aanleiding van het verzoek daartoe van eiser, het zicht op uitzetting naar Algerije nader toegelicht. In 2024 hebben de Algerijnse autoriteiten aan 125 vreemdelingen waarvan 60 ongedocumenteerden een laissez-passer verstrekt. Zoals eiser ter zitting ook heeft erkend kan op basis daarvan zicht op uitzetting in het algemeen, ook voor ongedocumenteerden als eiser, worden aangenomen. Er zijn geen aanknopingspunten om te oordelen dat het zicht op uitzetting in het geval van eiser ontbreekt. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
03 april 2025

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.