ECLI:NL:RBDHA:2025:3413

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 maart 2025
Publicatiedatum
6 maart 2025
Zaaknummer
NL25.8328
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VreemdelingenwetArt. 96 Vreemdelingenwet
Verwijzingen
2 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling

Eiser, van Algerijnse nationaliteit, is op 30 september 2024 in bewaring gesteld op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet. De maatregel duurt voort en de minister heeft op 21 februari 2025 een kennisgeving voortduring bewaring aan de rechtbank verzonden, gelijkgesteld met een beroep van eiser.

De rechtbank heeft eerder op 17 december 2024 de rechtmatigheid van de bewaring tot het sluiten van het onderzoek op 13 december 2024 bevestigd. De beoordeling richt zich nu op de periode daarna. Eiser stelt dat zicht op uitzetting ontbreekt omdat de lp-aanvraag nog niet is behandeld door de Algerijnse autoriteiten en dat binnen zes maanden geen uitzetting zal plaatsvinden.

De rechtbank verwijst naar eerdere uitspraken van de Afdeling waarin is geoordeeld dat zicht op uitzetting naar Algerije in algemene zin niet ontbreekt, ook voor vreemdelingen zonder geldige grensdocumenten. In het specifieke geval van eiser is een lp-traject gestart en is niet gebleken dat de Algerijnse autoriteiten geen lp zullen afgeven. De minister heeft sinds december 2024 drie keer gerappelleerd en twee vertrekgesprekken gevoerd, wat voldoende voortvarend wordt geacht.

Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep open.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.8328

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam] , eiser,

V-nummer: [v-nummer]
(gemachtigde: mr. H.J. Janse),
en

de Minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. F. Nuninga).

Procesverloop

De minister heeft op 30 september 2024 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
De minister heeft op 21 februari 2025 een kennisgeving voortduring bewaring aan de rechtbank verzonden. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep.
De minister heeft op 19 februari 2025 een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 28 februari 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft de gemachtigde van de minister deelgenomen. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen op de zitting.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] .
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 17 december 2024 (in de zaak NL24.47758) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 13 december 2024.
3. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Standpunten eiser
4. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. De lp-aanvraag is op 23 augustus 2024 ingediend, maar het is niet duidelijk of de aanvraag in behandeling is genomen door de Algerijnse autoriteiten. Eiser acht het zeer onwaarschijnlijk dat hij binnen zes maanden na de inbewaringstelling zal kunnen worden uitgezet, omdat er nog geen presentatie is gepland, er geen lp is toegezegd en eiser zelf ook niet over documenten beschikt. Verder geeft eiser aan dat er sinds 13 december 2024 drie keer is gerappelleerd en er twee vertrekgesprekken met hem hebben plaatsgevonden. Eiser acht dat onvoldoende voortvarend.
Oordeel rechtbank
5. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting in het algemeen en in het geval van eiser naar Algerije niet ontbreekt. De rechtbank wijst op de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 en 15 juli 2024, waarin de Afdeling heeft geoordeeld dat zicht op uitzetting in het algemeen naar Algerije niet (meer) ontbreekt. [2] Recent heef de Afdeling herhaald dat ook voor Algerijnse vreemdelingen die niet over geldige grensoverschrijdingsdocumenten of kopieën van zulke documenten beschikken, vanaf december 2023 in algemene zin niet langer het zicht op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn ontbreekt [3] .In het specifieke geval van eiser is een lp-traject opgestart en is niet gebleken dat de Algerijnse autoriteiten hebben aangegeven geen lp voor eiser te zullen afgeven. Dat er nog geen reactie is gekomen van de Algerijnse autoriteiten en er nog geen presentatie is gepland, betekent niet dat dit niet binnen afzienbare reden alsnog gaat gebeuren.
6. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser werkt. De rechtbank overweegt dat uit de voortgangsrapportage blijkt dat de minister sinds sluiting van het vorige onderzoek op 13 december 2024, drie keer heeft gerappelleerd op de lp-aanvraag, laatstelijk op 6 februari 2025 en twee vertrekgesprekken met eiser heeft gevoerd, laatstelijk op 18 februari 2025. Deze gang van zaken acht de rechtbank voldoende voortvarend.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen,
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Munsterman, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. van Wijk, griffier en openbaar gemaakt door geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.