Uitspraak
uitspraak van de enkelvoudige kamer van in de zaak tussen
[eiser], eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Inleiding
Beoordeling door de rechtbank
Beroepsgronden
Rechtbank Den Haag
Eiser, een burger van Bosnië-Herzegovina met langdurig ingezetenenstatus in Griekenland, verzocht om een verblijfsvergunning in Nederland voor arbeid als zelfstandige. Na een eerdere afwijzing wegens onvoldoende bewijs van zelfstandigheid, diende eiser een herhaalde aanvraag in met nieuwe stukken, waaronder Kamer van Koophandel-uittreksels, jaarstukken en belastingaangiften.
De minister van Asiel en Migratie handhaafde de afwijzing, stellende dat de nieuwe stukken geen rechtens relevante nova bevatten en onvoldoende inzicht geven in de zelfstandigheid van de werkzaamheden. De rechtbank bevestigde dit standpunt en oordeelde dat de aangeleverde documenten niet aantonen dat eiser daadwerkelijk als zelfstandige opereert, mede omdat essentiële bewijsstukken zoals ondernemingsplannen en klantovereenkomsten ontbreken.
Eiser voerde aan dat hij sinds 2019 ondernemer is en verwees naar een eerdere jurisprudentie die geen ondernemingsplan vereist stelt. De rechtbank stelde echter dat zonder bewijs van het ontbreken van een gezagsverhouding met opdrachtgevers, de zelfstandigheid niet kan worden aangenomen. Het tijdsverloop werd niet als rechtens relevante nova beschouwd.
De rechtbank concludeerde dat het beroep ongegrond is en het bestreden besluit in stand blijft, waarbij eiser geen proceskostenvergoeding krijgt. De uitspraak werd gedaan door rechter A.J. de Danschutter op 27 februari 2025.
Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag verblijfsvergunning zelfstandige langdurig ingezetene wordt ongegrond verklaard.