Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:27573

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
NL24.38137
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 32 Visumcode
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens schending hoorplicht bij weigering visum kort verblijf

Eiseres, een minderjarige met de Surinaamse nationaliteit, vroeg op 25 april 2024 een visum kort verblijf aan om familie in Nederland te bezoeken. De minister van Buitenlandse Zaken wees de aanvraag op 6 mei 2024 af wegens onvoldoende aannemelijkheid van het reisdoel en twijfel over het vertrek uit de EU.

In bezwaar werd het besluit op 5 september 2024 gehandhaafd zonder hoorzitting. Eiseres stelde dat de hoorplicht was geschonden omdat zij nadere informatie had verstrekt en expliciet om een hoorzitting had verzocht. De rechtbank oordeelde dat de minister ten onrechte het bezwaar kennelijk ongegrond verklaarde zonder hoorzitting, terwijl er twijfel bestond of het bezwaar tot een ander besluit had kunnen leiden.

De rechtbank stelde vast dat eiseres voldoende stukken had overgelegd en dat tijdens een hoorzitting onduidelijkheden over de familierelaties en sociale en economische binding met Suriname hadden kunnen worden opgehelderd. Ook de motivering van de minister over het ontbreken van binding werd onvoldoende geacht.

De rechtbank vernietigde het bestreden besluit en bepaalde dat de minister binnen acht weken een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. Tevens werd de minister veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eiseres.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard wegens schending van de hoorplicht en het bestreden besluit wordt vernietigd.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.38137
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres

(gemachtigde: mr. V. Sarkisian),
en

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder

(gemachtigde: [gemachtigde] ).

Samenvatting

1.1.
Deze uitspraak gaat over de weigering van een visum aan eiseres en over het niet houden van een hoorzitting in de bezwaarfase. Eiseres is daar niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.2.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden
.Eiseres krijgt dus gelijk en het beroep is gegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Feiten en omstandigheden

2.1
Eiseres is geboren op [geboortedag] 2006 en heeft de Surinaamse nationaliteit. Op 25 april 2024 heeft zij een aanvraag ingediend voor een visum kort verblijf om samen met haar moeder, [persoon 1] , en haar minderjarige dochter, [persoon 2] , haar nicht [persoon 3] (referente) in Nederland te bezoeken.
2.2.
Met het primaire besluit van 6 mei 2024 heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. Verweerder heeft onder verwijzing naar artikel 32, a)ii en b) van de Visumcode aan de weigering van het visum ten grondslag gelegd dat het reisdoel niet aannemelijk is gemaakt en dat twijfel bestaat over het voornemen om het grondgebied van de lidstaten te verlaten voor het verstrijken van de geldigheid van het gevraagde visum.
2.3.
Met het bestreden besluit van 5 september 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres tegen deze afwijzing ongegrond verklaard.
2.4.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.5.
De rechtbank heeft het beroep op 8 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en referent. De minister heeft zich afgemeld voor de zitting.

Beoordeling door de rechtbank

Schending hoorplicht
3.1.
Eiseres voert aan dat verweerder de hoorplicht heeft geschonden. Verweerder had haar in een hoorzitting om nadere informatie moeten vragen, in plaats van het bezwaar kennelijk ongegrond te verklaren.
3.2.
Verweerder stelt zich op het standpunt dat een hoorzitting niet tot een ander standpunt had kunnen leiden. In bezwaar zijn namelijk geen andere, nieuwe of gewijzigde feiten en/of omstandigheden aangevoerd of bewijsstukken overgelegd ter onderbouwing van de sociale- dan wel economische binding van eiseres met Suriname. Het feitencomplex is volgens verweerder onbestreden gebleven.
3.3.
Het is vaste rechtspraak dat het horen in bezwaar als uitgangspunt moet worden genomen. [1] Het horen in de bezwaarfase vormt een essentieel onderdeel van die procedure. Hierop kan slechts een uitzondering worden gemaakt als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk is dat wat in bezwaar is aangevoerd, niet tot een ander standpunt kan leiden dan het standpunt in het primaire besluit. [2] Een bezwaar kan dan kennelijk ongegrond worden verklaard. Met deze uitzondering op de hoorplicht moet terughoudend worden omgegaan. Een relevante omstandigheid is onder meer de mate waarin een vreemdeling bereidwillig en actief de inspanningen heeft verricht die redelijkerwijs van hem verwacht kunnen worden bij het verkrijgen en tijdig aanleveren van de verzochte informatie. De vuistregel is dat naarmate een vreemdeling meer inspanningen heeft verricht om de benodigde informatie te verkrijgen en daarover heeft gecommuniceerd, het meer in de rede ligt om hem uit te nodigen voor een hoorzitting.
3.4.
De rechtbank is van oordeel dat in het geval van eiseres niet gezegd kan worden dat op voorhand redelijkerwijs geen twijfel mogelijk was dat het in bezwaar aangevoerde niet tot een ander standpunt kon leiden dan het standpunt in het primaire besluit. Eiseres heeft bij het toesturen van haar bezwaarschrift een aantal stukken overgelegd ter onderbouwing van het doel van de reis en de binding met Suriname. Verweerder heeft in het bestreden besluit in reactie hierop overwogen dat er onvoldoende objectief verifieerbare stukken zijn overgelegd om de door eiseres gestelde familierelatie en sociale- en economische binding aan te tonen. Op zitting heeft referente verklaart dat eiseres nog naar school gaat, waardoor zij bijvoorbeeld (nog) niet werkt. De rechtbank overweegt dat dit soort toelichtingen bij uitstek tijdens een hoorzitting in de bezwaarfase kunnen worden gegeven en besproken. Zoals de Afdeling [3] heeft overwogen is het horen in bezwaar het uitgangspunt en een essentieel onderdeel van de procedure. Wanneer een vreemdeling zich heeft ingespannen, zoals eiseres in dit geval heeft gedaan door in bezwaar stukken te overleggen, ligt het in de rede om een hoorzitting te houden. Op een hoorzitting kunnen eventuele onduidelijkheden worden opgehelderd. Het had op de weg van verweerder gelegen om door middel van een hoorzitting vragen aan eiseres te stellen en eventueel om aanvullende documenten te vragen.
3.5.
De rechtbank overweegt verder dat verweerder in de bezwaarfase ook een vragenlijst aan eiseres heeft toegezonden om nadere informatie te verkrijgen. De rechtbank overweegt dat uit het toesturen van de vragenlijst blijkt dat verweerder in de bezwaarfase nog geen volledig beeld had van de situatie van eiser en onderzoek nodig vond. Het toesturen van een vragenlijst met verzoek om stellingen te onderbouwen is een vorm van onderzoek. Als verweerder dit soort onderzoek in de bezwaarfase nodig vindt en in gang zet, en de vragenlijst komt gedetailleerd ingevuld en met onderbouwing bij verweerder retour, valt moeilijk in te zien dat dan nog sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaar. Eiseres had in haar bezwaarschrift bovendien expliciet verzocht om gehoord te worden.
3.6.
Uit het voorgaande volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verweerder het bezwaar in het geval van eiseres niet kennelijk ongegrond had mogen verklaren en dat verweerder dus een hoorzitting had moeten houden.
Artikel 32 van Pro de Visumcode
4.1.
In het kader van de finale geschilbeslechting merkt de rechtbank verder het volgende op. Verweerder concludeert dat eiseres het reisdoel niet aannemelijk heeft gemaakt, nu de gestelde familieband niet is aangetoond middels geboorteaktes. De rechtbank overweegt dat eiseres de gevraagde geboorteaktes inmiddels in beroep heeft overgelegd. Deze in beroep overgelegde bewijsstukken vormen een nadere onderbouwing van de reeds bij de aanvraag en in bezwaar gestelde familieband. De ex tunc toetsing in beroep staat er daarom niet aan in de weg dat deze stukken bij de beoordeling worden meegenomen. Nu de geboorteaktes ook sluitend de gestelde familieband aantonen, is de rechtbank van oordeel dat het doel van het verblijf voldoende aannemelijk is gemaakt en niet meer ter discussie staat.
4.2.
De rechtbank overweegt verder dat de motivering van verweerder over de afwezigheid van de sociale binding op dit moment niet overtuigend is. Op de zitting heeft referente toegelicht dat de moeder van eiseres inmiddels al meer dan zes keer vanuit Suriname naar Nederland is gekomen en weer is teruggekeerd. De moeder van eiseres beschikt namelijk over een multiple entry visa. Verweerder stelt daar in het bestreden besluit tegenover dat elke aanvraag individueel beoordeeld wordt, en dat het feit dat de moeder van eiseres al eerder is teruggekeerd naar Nederland niet betekent dat er bij eiseres sterke binding is om tijdig terug te keren. De rechtbank kan dit standpunt niet volgen. Eiseres heeft aangevoerd dat zij samen met haar moeder in Suriname woont en als doel van het verblijf in Nederland heeft om gezamenlijk met haar moeder referente te bezoeken. Eiseres heeft tijdens de bezwaarprocedure op verschillende wijze geprobeerd om de binding met Suriname aan verweerder te garanderen, door bijvoorbeeld een meldplicht of garantiesom vast te stellen of de minderjarige dochter van eiseres achter te laten in Suriname bij de moeder van eiseres. Concluderend merkt de rechtbank op dat eiseres haar sociale binding met de Suriname tamelijk stevig heeft onderbouwd en dat de vragen die verweerder hierover nog heeft, aan de orde kunnen komen tijdens een hoorzitting in bezwaar.
4.3.
De rechtbank merkt verder op dat zij ook de motivering van verweerder over de afwezigheid van economische binding niet overtuigend vindt. Op de zitting heeft referente verklaard dat eiseres nog maar 19 jaar is en dat zij (nog) geen werk heeft omdat zij in Suriname nog naar school gaat. Referente heeft ook toegelicht dat nu eiseres op jonge leeftijd moeder is geworden en naar school gaat, zij (nog) geen tijd heeft voor een baan. Zij woont bij haar moeder en haar moeder draagt de financiële last. Verweerder was niet op de zitting om op deze toelichting van referente te reageren. De rechtbank is van oordeel dat het aannemelijk is dat er in ieder geval tot op een zekere hoogte, namelijk op grond van het inwonen bij haar moeder en de omstandigheid dat moeder de kosten draagt, sprake is van economische binding met Suriname.

Conclusie en gevolgen

5.1.
Het beroep is gegrond, omdat in de bezwaarfase ten onrechte geen hoorzitting heeft plaatsgevonden. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van acht weken.
5.2.
Omdat het beroep gegrond is, moet verweerder het griffierecht aan eiseres vergoeden en de proceskostenvergoeding betalen. Deze vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het beroepschrift ingediend en is op de zitting verschenen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907, -. Omdat de zaak een gemiddeld gewicht heeft, is op deze waarde de factor 1 toegepast. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814, -.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van 5 september 2024;
- draagt verweerder op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 187, - aan eiseres moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J.M. Baldinger, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Dit volgt uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 april 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1137.
3.De Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State.