Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:27571

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
NL25.9699
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 10 lid 2 GezinsherenigingsrichtlijnArt. 8:72 lid 4 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing mvv-aanvraag wegens onvoldoende belangenafweging bij gezinshereniging jongvolwassene

Eiser, met Turkse nationaliteit, vluchtte in 2021 met zijn gezin naar Nederland vanwege vervolging in Turkije. Zijn twee meerderjarige zonen bleven achter in Turkije. Voor één zoon, betrokkene, werd een mvv-aanvraag afgewezen omdat de minister oordeelde dat er geen beschermwaardig gezinsleven bestond en het jongvolwassenenbeleid niet van toepassing was.

De rechtbank oordeelt dat de minister terecht vaststelde dat de feitelijke gezinsband rond 2015 was verbroken, maar onterecht naliet te onderzoeken of deze band op het peilmoment in 2021 was hersteld. De rechtbank stelt vast dat betrokkene na een studieperiode weer bij zijn ouders woonde en dat bijzondere omstandigheden, zoals detentie van eiser en onderduiken van zijn echtgenote, de gezinsband beïnvloedden.

Verder concludeert de rechtbank dat er sprake is van meer dan normale emotionele banden en bijkomende afhankelijkheid tussen betrokkene en zijn familie, mede door de bedreigende situatie in Turkije en psychische klachten van betrokkene. Hierdoor is gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM Pro aanwezig.

De minister heeft daardoor onterecht geen belangenafweging gemaakt. Het besluit wordt vernietigd en de minister krijgt zes weken om een nieuw besluit te nemen. Eiser krijgt proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt vergoed.

Uitkomst: Het bestreden besluit wordt vernietigd en de minister moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen met inachtneming van de uitspraak.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.9699
V-nummer: [v-nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser

(gemachtigde: mr. F. Zeven),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder, hierna: de minister

(gemachtigde: mr. P.M.W. Jans).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag tot het verlenen van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor ‘verblijf als familie- of gezinslid’.
1.2.
Eiser heeft ten behoeve van zijn zoon [persoon 1] (betrokkene) een mvv aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 9 oktober 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 7 februari 2025 heeft de minister het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
1.3.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft gereageerd met een verweerschrift.
1.4.
De rechtbank heeft het beroep op 20 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, zijn echtgenote en hun twee zonen (de twee broers van betrokkene), de gemachtigde van eiser, E. Taskin als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Wat ging er aan deze zaak vooraf?
2. Eiser is geboren op [geboortedag 1] 1971 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser heeft in Turkije in detentie gezeten als gevolg van het aanhangen van de Gülenbeweging. Zijn echtgenote werd door de politie gezocht en heeft moeten onderduiken. Vanwege hun problemen is eiser met zijn echtgenote en hun minderjarige zoon in 2021 gevlucht uit Turkije. Aan hen is in Nederland een asielvergunning verleend. Hun twee meerderjarige zonen, betrokkene en zijn broer [persoon 2] , zijn toen in Turkije achtergebleven.
3. Eiser heeft op 11 augustus 2022 een aanvraag ingediend om gezinshereniging met zijn twee meerderjarige zonen. De aanvraag werd voor beide zonen afgewezen. De minister is na bezwaar bij zijn beslissing gebleven ten aanzien van betrokkene. Aan [persoon 2] heeft de minister op 7 februari 2025 ambtshalve een asielvergunning voor bepaalde tijd als gezinslid van eiser verleend. Dit betekent dat alle gezinsleden behalve betrokkene sindsdien rechtmatig verblijf hebben in Nederland.
4. Betrokkene is geboren op [geboortedag 2] 1997 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij is thans nog in Turkije en wenst verblijf in Nederland vanwege het recht op familie- en gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. [1]
Bestreden besluit
5. De minister heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat er geen sprake is van beschermwaardig familie- of gezinsleven als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Betrokkene valt niet onder het jongvolwassenenbeleid van de minister. Ook familieleven met bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen betrokkene en zijn ouders enerzijds en betrokkene en zijn broer [persoon 2] anderzijds, is niet aannemelijk gemaakt. Van hechte persoonlijke banden tussen betrokkene en zijn minderjarige broertje [betrokkene] is ook geen sprake. Omdat familieleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM niet aannemelijk is gemaakt tussen eiser en zijn gezinsleden in Nederland heeft de minister, gelet op de rechtspraak [2] van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de raad van State (Afdeling), geen belangenafweging gemaakt.
Standpunt van eiser
6. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe het volgende aan.
6.1.
Het jongvolwassenenbeleid is van toepassing op betrokkene. De gezinsband tussen betrokkene en zijn familie is nooit verbroken. Betrokkene heeft feitelijk altijd in gezinsverband samengeleefd, met uitzondering van de periode van detentie van eiser, tot aan het noodgedwongen vertrek van eiser en zijn echtgenote. Betrokkene heeft slechts korte perioden bij zijn grootouders gelogeerd maar hij heeft altijd bij zijn ouders gewoond, zo blijkt ook uit zijn adresinschrijvingen in de Turkse overheidssystemen.
6.2.
De minister hanteert volgens eiser een onjuist toetsingskader. Dat de minister van mening is dat betrokkene in staat zou moeten zijn om werk te vinden, doet er niet aan af dat hij feitelijk geen werk heeft, slechts ooit drie dagen heeft gewerkt en niet in zijn eigen onderhoud voorziet. Eiser verwijst naar uitspraken van de Afdeling waaruit volgt dat bij het jongvolwassenenbeleid een feitelijke beoordeling dient te worden gemaakt. De minister is daarnaast gehouden om bij de beoordeling te betrekken of betrokkene ‘ten laste kwam van’ van eiser in de zin van artikel 10, tweede lid, van de Gezinsherenigingsrichtlijn. [3] Naar eisers mening maakt dit dan ook dat wordt voldaan aan de vier cumulatieve voorwaarden van het jongvolwassenenbeleid nu de minister niet betwist dat betrokkene aan de overige voorwaarden voldoet.
6.3.
In het geval de feitelijke gezinsband tussen betrokkene en zijn familie zou zijn verbroken vanwege de korte duur van wonen bij de grootouders, is deze volgens eiser op het peilmoment weer hersteld. Eiser verwijst hierbij naar het arrest XC van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof). [4] Betrokkene woonde op het peilmoment weer in het ouderlijk huis waar hij met zijn ouders en twee broers samenwoonde tot het noodgedwongen vertrek van zijn ouders uit Turkije op 26 maart 2021.
6.4.
Tot slot stelt eiser dat sprake is van schending van artikel 8 van Pro het EVRM vanwege hechte banden tussen betrokkene en [persoon 2] . De broers hebben samengeleefd na het noodgedwongen vertrek van hun ouders. In die periode waren zij volledig op elkaar aangewezen en was er sprake van de dreigende omstandigheden in Turkije die nog steeds voortduren. Deze omstandigheid maakt dat zij een bijzonder hechte band hebben in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.
Oordeel van de rechtbank
Het jongvolwassenenbeleid
7.1.
Het jongvolwassenenbeleid wordt gebruikt om vast te stellen of tussen een meerderjarig kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven bestaat als bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM zonder dat de minister daarvoor bijkomende elementen van afhankelijkheid vereist. Als een meerderjarig kind geen geslaagd beroep kan doen op het jongvolwassenenbeleid, beoordeelt de minister of dat kind en zijn ouder(s) familie- of gezinsleven hebben op grond van bijkomende elementen van afhankelijkheid. [5]
7.2.
Het is niet in geschil dat betrokkene jongvolwassen is. Ook is niet (meer) in geschil dat betrokkene niet in zijn eigen onderhoud voorziet en dat hij geen zelfstandig gezin heeft gevormd. De vraag die bij de rechtbank voorligt is of betrokkene met zijn ouders in gezinsverband leefde. Betrokkene was op het peilmoment, het moment dat zijn ouders in Nederland zijn gekomen (op 30 augustus 2021), 24 jaar oud. Hij heeft tijdens zijn studie in de periode van ongeveer 2015 tot 2019 bij zijn grootouders in [plaats] verbleven. Eiser heeft hierover verklaard dat de grootouders betrokkene voorzagen in onderdak en eten. Het collegegeld was gratis, de medische zorg is gratis en eiser heeft op zitting verklaard geld aan grootvader te geven voor het onderhouden van zijn zoon. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd aan de hand van stukken.
7.3.
De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank terecht vastgesteld dat betrokkene en eiser wisselend hebben verklaard over de periode dat betrokkene met zijn ouders in gezinsverband leefde. De minister wijst erop dat betrokkene bewust heeft gekozen om naar [plaats] te gaan om te studeren en het gezin te verlaten ten behoeve van de studie, omdat de studie werktuigbouwkunde daar in het Engels werd aangeboden. Dit betekent dat de minister terecht heeft geoordeeld dat de feitelijke gezinsband tussen betrokkene en zijn gezinsleden op dat moment is verbroken. Op de zitting is nader toegelicht dat eiser en zijn gezin altijd de wens hebben gehad om met zijn allen naar [plaats] te verhuizen en het gezinsleven daar gezamenlijk voort te zetten, maar dat deze plannen nooit verwezenlijkt zijn door de politieke problemen van eiser en zijn echtgenote. Voor zover uit de feiten moet worden afgeleid dat betrokkene het gezin heeft verlaten, stelt eiser dat betrokkene ten tijde van corona (in het studiejaar 2019-2020) is teruggekeerd naar het ouderlijk gezin en weer bij zijn ouders en broertjes in Istanbul is gaan wonen. De grootouders woonden toen niet in het huis in Istanbul en zijn pas bij betrokkene en [persoon 2] gaan wonen toen eiser en zijn echtgenote naar Nederland zijn gevlucht. Deze stellingen zijn door de minister niet weersproken en zijn naar het oordeel van de rechtbank niet onaannemelijk.
7.4.
Nu de gezinsband voor het peilmoment, namelijk in 2015, is verbroken voert eiser terecht aan dat de minister is gehouden om te onderzoeken of deze gezinsband is hersteld. [6] Daarbij kan de minister zich volgens rechtspraak van de Afdeling niet op het standpunt stellen dat een voor het peilmoment eenmaal verbroken gezinsband nooit kan worden hersteld. [7] Dit betekent dat feiten en omstandigheden die zich
voorhet peilmoment hebben voorgedaan (na het verbreken van de feitelijke gezinsverband), bij de beoordeling mogen worden betrokken. De minister heeft dat in deze zaak niet gedaan. De minister heeft in de beoordeling niet meegenomen dat betrokkene in het ouderlijk gezin is teruggekeerd, dat de grootouders is [plaats] zijn gebleven en dat er bijzondere omstandigheden spelen in het gezin. In het bijzonder de arrestatie en de zeventien maanden durende detentie van eiser en het feit dat eisers echtgenote ondergedoken is geweest. Dit heeft tot gevolg gehad dat eiser en zijn echtgenote en hun jongste kind zich genoodzaakt hebben gezien te vluchten en daarbij hun twee oudste zonen hebben moeten achterlaten in de ouderlijk woning. De minister heeft daarnaast ook niet gekeken naar de medische omstandigheden binnen deze situatie en de invloed die dit heeft gehad op betrokkene, nu hij als enige is achtergebleven in Turkije. Omdat het aan de minister is om deze afweging te maken, is het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en zal het om die reden worden vernietigd.
Additional elements of dependency, involving more than normal emotional ties
7.5.
Ten aanzien van de beoordeling van de schending van artikel 8 van Pro het EVRM overweegt de rechtbank als volgt. Uit rechtspraak van het EHRM [8] volgt dat bij relaties tussen meerderjarige kinderen en hun ouders voor het aannemen van beschermenswaardig familie- of gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM, sprake moet zijn van emotionele banden die het gangbare overstijgen (‘more than the normal emotional ties’). [9] Om te bepalen of hiervan sprake is, kijkt het EHRM naar ‘additional elements of dependency’ (bijkomende elementen van afhankelijkheid). [10] Het al dan niet bestaan van een dergelijk familie- of gezinsleven is een vraag van feitelijke aard en afhankelijk van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden. [11] Elementen die hierbij relevant kunnen zijn, zijn eventuele samenwoning, de mate van financiële en emotionele afhankelijkheid, de gezondheid van betrokkenen en de banden met het land van herkomst.
7.6.
De vraag of sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie toetst de rechtbank - anders dan de Afdeling - vol. De rechtbank verwijst daarvoor naar de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats van 22 april 2025 [12] en 23 juli 2025. [13]
7.7.
De rechtbank is van oordeel dat niet alleen de situatie van het gezin op het peilmoment van belang is, maar ook de ontwikkelingen die zich daarna hebben voorgedaan. De rechtbank stelt vast dat betrokkene ook na vertrek van zijn ouders niet financieel zelfstandig is geworden. Het draait bij de beoordeling van bijkomende elementen van afhankelijkheid niet om de vraag of betrokkene in staat was om in zijn eigen levensonderhoud te voorzien, maar of betrokkene feitelijk in zijn eigen onderhoud voorziet. Daarvan is geen sprake, nu betrokkene geen werk heeft en ook in het verleden slechts drie dagen heeft gewerkt.
7.8.
Voorts is ook sprake van afhankelijkheid tussen betrokkene en [persoon 2] . Zij zijn na het vertrek van hun ouders en jongere broer noodgedwongen samen achtergebleven in hun ouderlijk huis in Istanbul. Daarbij verkeerden zij in een bedreigende omgeving, doordat hun ouders door de Turkse autoriteiten werden vervolgd en zij daardoor moesten vluchten. Verder acht de rechtbank relevant dat betrokkene psychische klachten heeft ontwikkeld. Nu de rechtbank het aannemelijk vindt dat betrokkene financieel, emotioneel en wellicht ook medisch afhankelijk is van zijn gezin, komt de rechtbank tot het oordeel dat er nog steeds sprake is van gezinsleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.
7.9.
Dit betekent dat de minister zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van gezinsleven. Het bestreden besluit houdt daarom ook op dit punt geen stand. Nu gezinsleven wordt aangenomen, is de minister gehouden om alsnog een belangenafweging te maken.

Conclusie en gevolgen

8.1.
Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel en een gebrek bevat. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit.
8.2.
De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken.
8.3.
Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze vergoeding bedraagt € 1.814, - omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en heeft deelgenomen aan de zitting. Ook bepaalt de rechtbank dat de minister het door eiser betaalde griffierecht moet vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van deze uitspraak;
- bepaalt dat de minister het griffierecht van € 194, - aan eiser moet vergoeden
- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.814, - aan proceskosten aan eiser.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.E.J.M. Gielen, rechter, in aanwezigheid van
mr. W.L. van der Pijl, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1189.
3.Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2146, r.o.8.2 en 8.3.
4.Zie de uitspraak van het Hof van 1 augustus 2022, ECLI:EU:C:2022:618.
5.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 29 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2146, r.o. 3.
6.Zie de uitspraak van het Hof van 1 augustus 2022, ECLI:EU:C:2022:618.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 20 november 2024, ECLI:NL:RVS:2024:4631.
8.Europees Hof van de Rechten van de Mens.
9.Zie bijvoorbeeld het arrest van het EHRM van 12 juni 2010, Khan tegen het VK, app.no. 47486/06.
10.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1188.
11.Zie onder meer het arrest van 17 april 2012, Kof en Liberda tegen Oostenrijk, app.no. 1598/06.