ECLI:NL:RBDHA:2025:27558

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
17 februari 2026
Zaaknummer
NL24.29306
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 19 Vreemdelingenwet 2000Art. 7.45a Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoekArt. 2.2 Wet studiefinanciering 2000Art. 3 Besluit studiefinanciering 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking verblijfsvergunning met terugwerkende kracht wegens verbroken gezinsband

Eiseres, een Colombiaanse nationaliteit houdende vrouw, kreeg een verblijfsvergunning als gezinslid van een referent. Na een melding van de referent dat de gezinsband was verbroken, trok de minister van Asiel en Migratie de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht per 9 mei 2023 in. Eiseres betwistte deze intrekking en stelde dat de relatie nog voortduurde en dat de intrekking disproportioneel en onzorgvuldig was.

De rechtbank oordeelde dat de datum van verbreking van de relatie objectief moest worden vastgesteld aan de hand van de melding van de referent en de administratieve gegevens. Eiseres kon onvoldoende aantonen dat de relatie na 9 mei 2023 nog bestond, ondanks haar verblijf in het weekend bij de referent en haar inschrijving op diens adres tot november 2023. Telefonische notities ondersteunden het standpunt van de minister dat de relatie was verbroken.

Verder werd geoordeeld dat de intrekking met terugwerkende kracht niet in strijd is met de Gezinsherenigingsrichtlijn, omdat het gezinsleven feitelijk was beëindigd. Het evenredigheidsbeginsel werd niet geschonden, mede omdat eiseres tijdig contact had met de overheid en de gevolgen van het intrekken van de vergunning haar eigen verantwoordelijkheid waren. Ook het rechtszekerheidsbeginsel werd niet geschonden ondanks de verlenging van de vergunning in mei 2023.

Ten slotte werd vastgesteld dat eiseres niet onder het toepassingsbereik van het Besluit 1/80 valt, omdat zij geen gehuwde of geregistreerde partner was van de referent. Haar beroep op bescherming van het privéleven faalde omdat zij op dat moment een geldige verblijfsvergunning had en geen vertrekplicht rustte. Het beroep werd ongegrond verklaard, waardoor de intrekking van de verblijfsvergunning in stand blijft.

Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de verblijfsvergunning met terugwerkende kracht wordt ongegrond verklaard en de intrekking blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Amsterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.29306
[V-Nummer]

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] ,

geboren op [geboortedag] 1991, van Colombiaanse nationaliteit, eiseres
(gemachtigde: mr. H.L.M. Lichteveld),
en
de minister van Asiel en Migratie [1] ,verweerder.
(gemachtigde: mr. F. Witteman).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de intrekking van de verblijfsvergunning van eiseres met terugwerkende kracht. Eiseres is het niet eens met de intrekking van de verblijfsvergunning. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de intrekking.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Eiseres krijgt dus geen gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het primaire besluit van 15 februari 2024 heeft verweerder de verblijfsvergunning van eiseres ingetrokken met terugwerkende kracht vanaf 9 mei 2023. Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
2.1.
Met het bestreden besluit van 26 juni 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard.
2.2.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 8 oktober 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, R. Caicedo Larrea als tolk in de taal Spaans en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Achtergrond en besluitvorming
3. Eiseres is per 16 maart 2020 in het bezit gesteld van een verblijfsvergunning voor het verblijfsdoel ‘familie- en gezinslid bij [referent] ’. Op 30 maart 2023 heeft eiseres een aanvraag ingediend tot verlenging van haar verblijfsvergunning. Op 9 mei 2023 heeft verweerder een meldingsformulier ontvangen van [referent] (referent) waarin hij aangeeft dat de gezinsband is verbroken. Op 16 mei 2023 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om verlenging van haar verblijfsvergunning ingewilligd. In de BRP [2] staat dat eiseres sinds 20 november 2023 op een ander adres woont dan referent. Op 21 november 2023 heeft eiseres een aanvraag voor wijziging van de beperking van een verblijfsvergunning regulier ingediend.
4. Op 20 december 2023 heeft verweerder aan eiseres kenbaar gemaakt dat zij voornemens is haar verblijfsvergunning in te trekken. Daarop heeft eiseres met een zienswijze gereageerd.
5. Met het besluit van 19 januari 2024 heeft verweerder de aanvraag van eiseres om haar verblijfsvergunning met het doel ‘verblijf als familie- of gezinslid bij [referent] ’ te wijzigen in ‘arbeid als kennismigrant’ ingewilligd met ingang van 21 november 2023.
6. In het primaire besluit, gehandhaafd in het bestreden besluit, heeft verweerder de eerder aan eiseres verleende verblijfsvergunning ingetrokken met terugwerkende kracht per 9 mei 2023. Volgens verweerder voldoet eiseres sinds deze datum niet meer aan de voorwaarden van haar verblijfsvergunning. Verweerder heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de relatie met referent is verbroken. Verweerder ziet geen reden om op grond van het evenredigheidsbeginsel of op grond van bijzondere omstandigheden de verblijfsvergunning niet in te trekken. Ook vindt verweerder dat aan eiseres op grond van artikel 8 van Pro het EVRM [3] geen vergunning hoeft te worden verleend. De belangenafweging in het kader van privéleven valt volgens verweerder in het nadeel van eiseres uit.
Beoordeling door de rechtbank
Datum intrekking verblijfsvergunning
7. Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres niet langer voldoet aan het verblijfsdoel van de verblijfsvergunning, omdat de relatie met referent is verbroken. In geschil is het moment waarop de relatie is verbroken en daarmee het moment waarop niet langer werd voldaan aan de voorwaarden van de verblijfsvergunning.
7.1.
Eiseres voert aan dat de intrekkingsdatum enkel is gebaseerd op het meldingsformulier van haar referent. Dit betreft informatie uit een subjectieve bron. Nu een intrekking, en zeker een intrekking met terugwerkende kracht, een belastende beschikking is die diep ingrijpt in het leven van eiseres, ligt op verweerder een zware bewijslast. Eiseres was niet op de hoogte van de melding van haar partner op 9 mei 2023. Ook was vanuit haar beleving de relatie nog niet verbroken. Zij heeft verklaard dat de communicatie tussen hen moeilijk was, dat zij – mede vanwege de afstand tussen [plaats 1] en haar studie in [plaats 2] en stage in [plaats 3] – na 9 mei 2023 doordeweeks bij een vriendin in [plaats 4] verbleef, maar dat zij gedurende de weekenden met referent in zijn woning in [plaats 1] verbleef. Ook was zij tot 20 november 2023 nog ingeschreven op het adres van referent. Op 21 november 2023 heeft zij uit zichzelf om wijziging van haar verblijfsvergunning gevraagd. Het ligt in de rede om bij de datum van verbreking van de relatie uit te gaan van de objectieve informatie van de BRP over de datum van uitschrijving van het adres.
7.2.
De rechtbank stelt vast dat het hier gaat om een belastend besluit. Het is daarom aan verweerder om aannemelijk te maken dat per 9 mei 2023 aan de voorwaarden voor de intrekking van de verblijfsvergunning is voldaan. Verweerder heeft in dit kader gewezen op de melding van referent. Op grond van deze informatie heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank kunnen concluderen dat de relatie per 9 mei 2023 is verbroken. Referent is niet op zijn melding teruggekomen. Het is vervolgens aan eiseres om aan te tonen dat de gestelde datum in de melding niet klopt en dat de relatie na deze datum nog heeft voortgeduurd.
7.3.
De rechtbank is het met verweerder eens dat eiseres niet nader heeft onderbouwd waarom de melding van referent onjuist is. De rechtbank acht hierbij van belang dat het voor eiseres niet onmogelijk zou moeten zijn om aan te tonen dat de relatie feitelijk langer voortduurde. Eiseres had bijvoorbeeld foto’s, kopieën van chatberichten of verklaringen van derden kunnen overleggen als onderbouwing van haar stelling dat de relatie feitelijk nog voortduurde na 9 mei 2023. Dat eiseres in de weekenden bij referent verbleef, heeft zij ook niet nader onderbouwd. Verder heeft verweerder telefoonnotities overgelegd die impliceren dat er geen sprake meer was van een relatie en dat eiseres dat ook wist. Het volgende staat in de inkomende telefoonnotitie van 17 mei 2023: ‘
Klant geeft aan geen relatie meer te hebben met ex partner. Haar huidige vv verloopt eind deze maand. - Ik heb een verlening aangevraagd voordat de melding gedaan is, kan mijn vv ingetrokken worden, moet ik mij zorgen maken?’. In de telefoonnotitie van 26 mei 2023 staat het volgende:

=> Uitvoerig het proces besproken met betrekking tot een eventuele voornemen tot intrekking van de verblijfstitel (niet doorgegeven dat er reeds een intrekkingszaak is opgevoerd).
=> Ook enkele alternatieve wijzigingsaanvragen besproken (studie en arbeid).
Eiseres heeft op zitting gesteld dat de inhoud van de telefoonnotities onjuist zijn. Dit kan de rechtbank niet volgen. Nog daargelaten of eiseres heeft gezegd dat haar relatie over is, duiden de telefoonnotities er niet op dat de relatie na 9 mei 2023 nog doorliep. Ook volgt uit de notitie van 17 mei 2023 dat eiseres op de hoogte was van de melding van referent.
7.4
De omstandigheid dat eiseres pas per 21 november 2023 is uitgeschreven van het adres van referent maakt het voorgaande niet anders. De rechtbank overweegt hierbij dat de inschrijving in de BRP slechts een administratieve inschrijving is die niet per se overeen hoeft te komen met de werkelijke situatie. Deze heeft daarom weinig bewijskracht in dit verband. Verweerder heeft daarom op goede gronden kunnen stellen dat eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat de relatie nog voortduurde na 9 mei 2023. Dit betekent dat eiseres haar beroepsgrond niet slaagt.
Bevoegdheid tot intrekking met terugwerkende kracht
8. Eiseres stelt dat intrekking met terugwerkende kracht, in gevallen waarbij er geen sprake is van fraude of misbruik van Unierecht, niet is voorzien in de Gezinsherenigingsrichtlijn en dus daarmee in strijd is. Verweerder is in het bestreden besluit onvoldoende ingegaan op dit punt. Verder is van belang dat eiseres op 21 november 2023 een aanvraag heeft ingediend om wijziging van de beperking van haar verblijfsvergunning. naar ‘arbeid als kennismigrant’. Bij beslissing van 19 januari 2014 (de rechtbank begrijpt: 2024) heeft verweerder deze aanvraag ingewilligd en haar verblijfsvergunning met ingang van 21 november 2023 gewijzigd in het verblijfsdoel ‘arbeid als kennismigrant’. Dit betekent dat haar verblijfsvergunning als gezinslid van referent al was geëindigd op
21 november 2023. Volgens eiseres was er ten tijde van het primaire besluit, op
15 februari 2024, geen juridische grondslag meer om een verblijfsvergunning in te trekken die al eerder, namelijk op 21 november 2023, was geëindigd.
8.1.
De rechtbank stelt om te beginnen vast dat verweerder wel degelijk in het bestreden besluit is ingegaan op het punt van eiseres dat intrekking met terugwerkende kracht in strijd zou zijn met de Gezinsherenigingsrichtlijn. Verder is niet in geschil dat de gezinsband tussen referent en eiseres is verbroken waardoor er geen gezinsleven meer bestaat. Gezinsleven is één van fundamenten en het idee achter de Gezinsherenigingsrichtlijn. Inbreuken op het gezinsleven moeten strikt worden toegepast. Maar in dit geval bestaat het gezinsleven niet langer. In een dergelijke situatie verzet de Gezinsherenigingsrichtlijn zich naar het oordeel van de rechtbank niet tegen intrekking met terugwerkende kracht tot het moment dat gezinsleven niet meer bestaat. Zoals hiervoor vastgesteld was dat dus op 9 mei 2023. Verder ziet de rechtbank, evenals verweerder, niet in dat het gegeven dat een nieuwe verblijfsvergunning is verleend voor arbeid als kennismigrant op 20 november 2023 een beletsel vormt voor het intrekken met terugwerkende kracht van de verblijfsvergunning voor verblijf bij partner. Met het intrekken met terugwerkende kracht wordt immers rechtsherstel beoogd. De beroepsgrond slaagt niet.
Evenredigheidsbeginsel
9. Eiseres doet een beroep op het evenredigheidsbeginsel. Intrekking van een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht op basis van een subjectieve melding kan niet als rechtsherstel worden gekwalificeerd. De meeste relaties eindigen niet abrupt. Eiseres heeft haar verblijfsvergunning beëindigd op de dag nadat zij is uitgeschreven van het adres van haar partner. Niet is gebleken dat de staat schade heeft opgelopen als gevolg van de beëindiging van de verblijfsvergunning vanaf 21 november 2023. Weliswaar is het niet onredelijk om een verblijfsvergunning te beëindigen wanneer iemand niet langer aan het doel van een vergunning voldoet, maar dit moet wel kenbaar voor diegene zijn. Bovendien heeft verweerder op 16 mei 2023 de aanvraag om verlenging van haar verblijfsvergunning ingewilligd, waardoor zij in de veronderstelling was dat alles goed zat. Er viel niks in te trekken omdat het verblijfsrecht al was gewijzigd. De gevolgen voor eiseres zijn groot nu er een verblijfsgat is ontstaan, waardoor zij weer vanaf nul zou moeten beginnen met de opbouw van rechtmatig verblijf voor naturalisatie of een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd. Eiseres wijst er verder op dat artikel 19 van Pro de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) een discretionaire bevoegdheid betreft. Verweerder kan ook besluiten in dit geval de intrekking achterwege te laten. Indien eiseres eerder op de hoogte was gesteld van de melding van referent, had zij kunnen onderzoeken of zij een verblijfsvergunning voor studie had kunnen aanvragen. Dat zij momenteel in het bezit is van een verblijfsvergunning als kennismigrant geeft geen garantie voor de toekomst. Eiseres blijft nu nog lange tijd in onzekerheid of zij wel in Nederland kan blijven. Op zitting heeft eiseres nog ter aanvulling naar voren gebracht dat de intrekking ook grote financiële gevolgen voor haar heeft. Zij had een geldige verblijfsvergunning en kwam daarom als student in aanmerking voor wettelijk collegegeld. De intrekking met terugwerkende kracht zou voor haar kunnen betekenen dat zij alsnog het collegegeld moet betalen.
9.1.
De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat het intrekken van de verblijfsvergunning per 9 mei 2023 niet onevenredig is in verhouding tot de met het beleid te dienen doelen. Van belang daarvoor is dat eiseres in mei 2023 meermaals contact heeft gehad met verweerder. Zowel vanuit haar geïnitieerd als andersom, zo volgt uit de telefoonnotities. In de notitie van 26 mei 2023 staat dat uitvoerig gesproken is over het proces met betrekking tot de eventuele intrekking van de vergunning en dat enkele alternatieve wijzigingsaanvragen zijn besproken. Dat eiseres tot november 2023 heeft gewacht tot het indienen van een nieuwe aanvraag, komt voor haar eigen rekening en risico. Verder volgt uit de telefoonnotitie van 17 mei 2023 dat zij ook op de hoogte was van de melding van referent.
9.2.
Dat eiseres wellicht andere aanvragen zou hebben gedaan voor andere verblijfsvergunningen en dat die aanvragen dan wellicht zouden zijn ingewilligd, waardoor wellicht geen sprake zou zijn geweest van een verblijfsgat, betreft een hypothetische onzekere situatie waar eiseres geen rechten aan kan ontlenen. Eiseres heeft geen aanvragen ingediend, terwijl het contact wat eiseres destijds heeft gehad met verweerder wel erop wijst dat zij wist dat er een verandering plaats had gevonden in haar situatie. Het is de verantwoordelijkheid van eiseres om tijdig een nieuwe aanvraag in te dienen.
9.3.
Dat haar verblijfsrecht inmiddels al was geëindigd en er daarom geen gerechtvaardigd doel meer bestond voor de intrekking volgt de rechtbank evenmin. De rechtbank verwijst daarvoor naar wat zij heeft overwogen in rechtsoverweging 8.1.
9.4.
Wat betreft haar standpunt over de mogelijke financiële gevolgen overweegt de rechtbank als volgt. Eiseres heeft dit pas op zitting naar voren gebracht en in dat verband verwezen naar artikel 7.45a van de Wet op het hoger onderwijs en wetenschappelijk onderzoek, artikel 2.2 van de Wet studiefinanciering 2000 en artikel 3 van Pro het Besluit studiefinanciering 2000. Zoals verweerder ter zitting ook terecht heeft opgemerkt is het nog maar de vraag of hieruit volgt dat eiseres het collegegeld zal moeten betalen in plaats van de instelling. Eiseres heeft de gestelde financiële gevolgen niet met stukken onderbouwd. De verwijzing naar de betreffende regelgeving in meer algemene zin is onvoldoende.
9.5
Eiseres voert ook nog aan dat verweerder negen maanden heeft gewacht met het
intrekken van de verblijfsvergunning na de verlenging. Verweerder moet het tijdsverloop
vanaf het moment dat zij kennisneemt van het niet meer voldoen aan de voorwaarden en het voornemen om de verblijfsvergunning in te trekken, meewegen. Eiseres heeft op zitting in dat verband een beroep gedaan op de uitspraken van de rechtbank Den Haag van
11 oktober 2023 en 6 juli 2023. [4] De rechtbank is van oordeel dat het in beide zaken om andere situaties ging. In de eerste zaak ging het om te beginnen om een andere verblijfsvergunning, namelijk die van arbeid als kennismigrant. Belangrijker is echter dat de rechtbank daar overwoog dat verweerder al ruim anderhalf jaar wist dat de vreemdeling (ook al) ruim anderhalf jaar niet voldeed aan de voorwaarden van de vergunning, alvorens een voornemen uit te brengen. De rechtbank vond dit een bijzonder lange periode, waar verweerder geen verklaring voor kon geven. Zo’n situatie en duur is hier niet aan de orde. Dat geldt ook voor de tweede zaak. In die zaak waren de belangen niet goed afgewogen in het kader van het economisch welzijn, de openbare orde en de volksgezondheid en ging het om een periode van bijna twee jaar voordat tot intrekking werd overgegaan. De rechtbank vond dat bijzonder lang, zeker omdat in die zaak naast referent ook de vreemdeling melding had gemaakt van de beëindiging. Dat alles is in het geval van eiseres niet aan de orde.
Rechtszekerheidsbeginsel/zorgvuldigheid
10. Eiseres doet een beroep op het rechtszekerheidsbeginsel nu de verblijfsvergunning per 16 mei 2023 is verlengd met vijf jaar. Op zitting heeft eiseres aangevuld dat zij meerdere keren telefonisch contact heeft gehad met verweerder en er toen niks is gezegd over haar lopende zaak.
10.1.
Zoals al eerder vastgesteld heeft eiseres meerdere keren telefonisch contact gehad met verweerder. Uit de inkomende telefoonnotitie van 17 mei 2023 volgt dat eiseres heeft aangegeven dat zij een verlening (de rechtbank begrijpt: verlenging) heeft aangevraagd voordat de melding is gedaan, of haar verblijfsvergunning kan worden ingetrokken en of zij zich zorgen moet maken. Uit de uitgaande telefoonnotitie van
26 mei 2025 blijkt dat het proces met betrekking tot een eventueel voornemen tot intrekking uitvoerig besproken is. Weliswaar blijkt uit die notitie ook dat niet is doorgegeven dat er al een intrekkingszaak is opgevoerd, maar in dat verband is relevant dat verweerder op de zitting heeft toegelicht dat klantservicemedewerkers geen beslismedewerkers zijn en niet kunnen anticiperen op beslissingen die nog moeten volgen. De rechtbank kan dat volgen.
10.2.
Gelet op de notities was eiseres dan ook voldoende op de hoogte van de situatie en mogelijke gevolgen en is naar het oordeel van de rechtbank dus geen sprake van schending van het rechtszekerheids- of zorgvuldigheidsbeginsel. Verder heeft verweerder toegelicht, met verwijzing naar een screenshot van hun systeem, dat de verlengingsaanvraag van
30 maart 2023 is afgehandeld op 9 mei 2023 en dat de afhandeling van de verlengingsaanvraag op ongelukkige wijze is doorkruist met de melding van referent. De rechtbank ziet in dat dit inderdaad een ongelukkige samenloop van omstandigheden is, maar dit betekent nog niet dat het rechtszekerheidsbeginsel is geschonden.
Besluit 1/80
11. Eiseres voert aan dat zij moet worden beschouwd als een gezinslid van een Turkse werknemer in de zin van de Associatieovereenkomst EEG/Turkije. Nu de Nederlandse overheid in het kader van Richtlijn 2004/38/EG (hierna: de Verblijfsrichtlijn) ongehuwde partners die hebben aangetoond een deugdelijk bewezen duurzame relatie te hebben met de burger van de Unie gelijkstelt aan gezinsleden in de zin van artikel 2, lid 2 van de Verblijfsrichtlijn, dient de Nederlandse Staat ook ongehuwde partners van Turkse werknemers te beschouwen en te behandelen als gezinsleden in de zin van artikel 7 Associatiebesluit Pro 1/80. Dit volgt volgens eiseres uit de non-discriminatiebepalingen van artikel 9 van Pro de Associatieovereenkomst EG/Turkije en artikel 10 van Pro Besluit 1/80. Op grond van artikel 13 van Pro het Besluit 1/80 mag een verblijfsvergunning niet met terugwerkende kracht worden ingetrokken.
11.1.
Verweerder volgt de stelling van eiseres niet. Eiseres is niet gehuwd geweest of is geen geregistreerd partnerschap aangegaan met referent. Daarmee valt eiseres volgens verweerder niet onder het begrip ‘gezinslid’. In het verweerschrift heeft verweerder het volgende nog opgemerkt. Bij de toepassing van het Turks associatierecht is door verweerder aansluiting gezocht bij de definitie van de Verblijfsrichtlijn. Bij de toepassing van de Verblijfsrichtlijn is de definitie van gezinsleden, anders dan eiseres stelt, niet verruimd. Verweerder verwijst hieromtrent naar artikel 2, tweede lid, van de Verblijfsrichtlijn en artikel 8.7 van het Vreemdelingenbesluit (Vb) en paragraaf B10/2.2.4 van de Vreemdelingencirculaire (Vc). De personele reikwijdte van de Verblijfsrichtlijn komt daarom naar de mening van verweerder overeen met de personele reikwijdte van het Turks associatierecht. Nu ongehuwde partners niet vallen binnen de definitie van gezinsleden, valt eiseres naar de mening van verweerder niet binnen het toepassingsbereik van Besluit 1/80.
11.2.
De rechtbank overweegt als volgt. De Verblijfsrichtlijn regelt niet op unierechtelijk niveau hoe verblijfsrecht aan partners van Unieburgers geregeld is. De Verblijfsrichtlijn zegt niet meer dan dat lidstaten het zelf moeten regelen en vergemakkelijken. Nederland heeft ervoor gekozen om ongehuwde partners hetzelfde te behandelen. Dat Nederland ook ongehuwde partners eronder laat vallen is echter een nationale keuze, dit volgt niet rechtstreeks uit de Verblijfsrichtlijn. De Verblijfsrichtlijn verplicht lidstaten er niet toe het te doen zoals Nederland het doet. De rechtbank is het dan ook eens met verweerder dat de personele reikwijdte van de Verblijfsrichtlijn overeenkomt met de personele reikwijdte van het Turks associatierecht en dat er dus geen sprake is van discriminatie. Ongehuwde partners vallen niet onder de werkingssfeer van de Verblijfsrichtlijn. De rechtbank komt daarom tot de conclusie dat uit de Verblijfsrichtlijn niet volgt dat dat ook bij het Turkse associatierecht ruimer moet worden toegepast of uitgelegd. Eiseres valt dus niet onder het toepassingsbereik van Besluit 1/80. De beroepsgrond slaagt niet.
Privéleven
12. Eiseres is van mening dat de intrekking met terugwerkende kracht achterwege had moet blijven vanwege haar privéleven in Nederland. Zij is in de afrondende fase van een masterstudie, deed een onderzoeksstage, was in dienst bij een Nederlands bedrijf en heeft vrijwilligerswerk verricht. Zij heeft nauwe banden opgebouwd met Nederland.
12.1.
De rechtbank stelt vast dat eiseres op dit moment beschikt over een verblijfsvergunning. Bovendien is er geen terugkeerbesluit opgelegd waardoor er geen vertrekplicht bestaat. De rechtbank ziet dan ook geen reden om in te gaan op de omstandigheden die pas van belang zijn als eiseres geen vergunning meer zou hebben dan wel als op eiseres een vertrekplicht zou rusten. Eiseres heeft nu geen plicht om Nederland te verlaten, dus zij kan haar privéleven in Nederland voortzetten. Van strijd met artikel 8 van Pro het EVRM is de rechtbank dan ook niet gebleken. Deze beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

13. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de intrekking van de verblijfsvergunning in stand blijft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. V.F.J. Bernt, rechter, in aanwezigheid van
mr.C. Simonis, griffier.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
2.Basisregistratie Personen.
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.