ECLI:NL:RBDHA:2025:27287

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
9 februari 2026
Zaaknummer
NL25.33089
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 29, tweede lid Vreemdelingenwet 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing nareisaanvraag asiel wegens termijnoverschrijding zonder verschoonbare reden

Eiser, een Afghaanse asielzoeker, diende een aanvraag in voor een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) om bij zijn echtgenote in Nederland te verblijven. De aanvraag werd afgewezen omdat deze niet binnen de wettelijk voorgeschreven termijn van drie maanden na het verkrijgen van de asielvergunning van de echtgenote was ingediend, zonder dat een verschoonbare reden werd gegeven.

Eiser voerde aan dat verweerder ten onrechte niet ambtshalve had doorgetoetst aan artikel 8 van Pro het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) en dat de hoorplicht was geschonden. Tevens stelde hij dat het niet relevant was dat de termijn was overschreden, omdat er sprake was van gezinsleven en verweerder altijd aan artikel 8 EVRM Pro moet toetsen.

De rechtbank oordeelde dat verweerder de afwijzing voldoende had gemotiveerd en dat het niet verplicht is om ambtshalve door te toetsen aan artikel 8 EVRM Pro in het kader van een nareisaanvraag. De mogelijkheid om een reguliere aanvraag voor het verblijfsdoel 'familie en gezin' in te dienen, maakt het recht op gezinshereniging niet onmogelijk. Ook was de hoorplicht niet geschonden omdat er geen redelijke twijfel bestond dat het bezwaar tot een ander besluit zou leiden.

Het beroep werd daarom ongegrond verklaard, het bestreden besluit bleef in stand en eiser kreeg geen vergoeding van proceskosten of griffierecht terug.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de nareisaanvraag wordt ongegrond verklaard en het bestreden besluit blijft in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.33089

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 19 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. H.H.R. Bruggeman),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. A.E. van der Burg).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag om de afgifte van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor het doel “nareis asiel”.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 2 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 23 juni 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referente, de gemachtigde van eiser, Y. Attayee als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1997 en heeft de Afghaanse nationaliteit. Eiser heeft op 21 februari 2023 een aanvraag voor een mvv ingediend, omdat hij in Nederland wil verblijven bij zijn echtgenoot, [referente] (referente). Referente heeft op 7 april 2022 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd gekregen. Eiser en referente zijn getrouwd op [dag] 2022. Referente heeft op 24 februari 2023 een nareisaanvraag ingediend.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat de aanvraag niet binnen de drie maanden termijn is ingediend. [1] Voor de termijnoverschrijding is geen verschoonbare reden gegeven. Nu eiser niet voldoet aan de formele voorwaarden van de nareisaanvraag, toetst verweerder niet ambtshalve door aan artikel 8 van Pro het EVRM [2] . Daarnaast wil verweerder de nationale procedure niet overslaan door direct aan artikel 8 EVRM Pro te toetsen, nu eiser een aanvraag voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ kan indienen.

Wat vindt eiser in beroep?

4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert – kort samengevat – het volgende aan. Verweerder heeft de motivering van het primaire besluit niet herhaald en ingelast, waardoor deze gronden niet meer worden tegengeworpen aan eiser. Het besluit kan om die reden geen stand houden. Verder begrijpt eiser niet waarom het relevant is voor de vaststelling van het gezinsleven of de nareistermijn is overschreden. Eiser en referente hebben gezinsleven omdat zij zijn gehuwd. Zij hebben ter onderbouwing whatsappberichten en belgeschiedenis overgelegd. Artikel 8 van Pro het EVRM is een internationaal mensenrecht en verweerder dient altijd aan dit recht te toetsen. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van deze zittingsplaats. [3] Ook werpt verweerder ten onrechte tegen dat het doortoetsen aan artikel 8 van Pro het EVRM niet mogelijk is vanwege tijds- en capaciteitsgebrek. Daarnaast kan verweerder niet tegenwerpen dat voor een nareisaanvraag geen leges verschuldigd zijn, maar voor een reguliere verblijfsvergunning wel. Eiser wijst erop dat de huidige wijze van afdoening juist meer tijd vergt dan wanneer hij direct door toetst aan artikel 8 van Pro het EVRM. Tot slot is de hoorplicht geschonden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. De rechtbank legt hierna uit waarom zij tot dit oordeel is gekomen.
Ambtshalve doortoetsen aan artikel 8 van Pro het EVRM
6. Tussen partijen is niet in geschil dat niet aan de formele voorwaarden van een verblijfsvergunning voor het doel “nareis asiel” wordt voldaan omdat referente de nareisaanvraag niet binnen drie maanden na het verkrijgen van haar asielvergunning heeft ingediend. Waar partijen het oneens over zijn is of verweerder ook ambtshalve had moeten doortoetsen aan artikel 8 EVRM Pro of de aanvraag had moeten omzetten naar een reguliere aanvraag voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’.
7. Uit jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter [4] volgt dat in een nareisaanvraag altijd een impliciet beroep op artikel 8 van Pro het EVRM besloten ligt. Verweerder moet daarom in elke nareiszaak deugdelijk motiveren waarom hij geen gebruik maakt van de bevoegdheid om te beoordelen of een vreemdeling in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 EVRM Pro of mvv met het oog op die vergunning.
8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit deugdelijk heeft gemotiveerd waarom hij geen gebruik maakt van de bevoegdheid om te beoordelen of eiser in aanmerking komt voor een mvv met het oog op een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd op grond van artikel 8 EVRM Pro. De rechtbank wijst met name op pagina 3 van het bestreden besluit, waarin verweerder uiteenzet dat referente de aanvraag zeven maanden te laat heeft ingediend en hier geen verschoonbare reden voor heeft gegeven. Verder heeft verweerder gemotiveerd toegelicht waarom hij in onderhavige zaak niet ambtshalve door toetst aan artikel 8 van Pro het EVRM, nu deze bijkomende toets bewerkelijker is en meer capaciteit en tijd kost, terwijl de nareisprocedure daar niet op is ingericht. [5] Eisers beroepsgrond dat verweerder altijd moet toetsen aan artikel 8 van Pro het EVRM slaagt niet. Ook heeft verweerder eiser in het besluit gewezen op de mogelijkheid om een aanvraag te doen voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’. Verder wordt met het afwijzen van nareisaanvraag wordt het recht op gezinshereniging in de praktijk niet moeilijk of onmogelijk maakt, nu de mogelijkheid bestaat een aparte reguliere aanvraag in te dienen. [6] Ook in dit geval is dat mogelijk
.Er is dan ook geen sprake van een motiveringsgebrek. Eiser heeft verder niet duidelijk gemaakt waarom de rechtbank deze motivering niet kan volgen. De enkele stelling dat het volgens eiser veel tijd, kosten en capaciteit vergt om een aanvraag met het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ in te dienen en hij opnieuw moet wachten op een besluit van verweerder, is hiertoe onvoldoende. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Verder merkt de rechtbank op dat de handelswijze van verweerder in het bestreden besluit consistent is met zijn beleid in het informatiebericht 2024/7, dat is opgesteld voor het bestreden besluit. Niet is gebleken dat sprake is van omstandigheden waardoor het voor eiser onmogelijk of onevenredig bezwarend is om een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor het verblijfsdoel ‘familie en gezin’ in te dienen.
10. Het beroep van eiser op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. Verweerder heeft in het bestreden besluit gemotiveerd uiteengezet dat eiser geen documenten heeft overgelegd waaruit blijkt dat zijn situatie vergelijkbaar is met de in bezwaar overgelegde beschikking. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat sprake is van een vergelijkbare situatie. Bovendien betekent het enkele feit dat verweerder in een andere zaak heeft aangeboden om de nareisaanvraag alsnog om te zetten naar een reguliere aanvraag, naar het oordeel van de rechtbank niet zonder meer dat verweerder dat in deze zaak ook verplicht was te doen. Het beroep van eiser op de uitspraak van deze zittingsplaats van 25 juni 2025 [7] leidt evenmin tot een ander oordeel. In die uitspraak ging het om een omgezette reguliere aanvraag, waarbij het middelenvereiste en de familieband in geschil was. Eiser heeft niet nader geconcretiseerd waarom deze uitspraak vergelijkbaar is met zijn situatie waarin een nareisaanvraag is gedaan of leidt tot de conclusie dat verweerder ten onrechte niet ambtshalve heeft door getoetst aan artikel 8 van Pro het EVRM. De beroepsgrond slaagt niet.
Hoorplicht
11. Ten slotte is de rechtbank van oordeel dat verweerder eiser niet had hoeven horen. Verweerder mag slechts van het horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [8] Gelet op de motivering van het besluit en op hetgeen door eiser is aangevoerd in de bezwaarfase, heeft verweerder kunnen vaststellen dat er redelijkerwijs geen twijfel bestond dat het bezwaar ongegrond was. Ook heeft de gemachtigde van eiser in bezwaar niet verduidelijkt wat eiser bij een eventueel nader gehoor nog had willen toelichten. Verweerder heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Eiser krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. P.P. Schaap, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak voor zover deze gaat over het beroep. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 29, tweede lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
3.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 juni 2025, NL24.50832.
4.Uitspraak van de Afdeling bestuursrecht van de Raad van State (Afdeling) van 22 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4804.
5.Zie ook de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam van 27 augustus 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:8021 en de bevestiging van de Afdeling van 24 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1231.
6.Zie in dit kader ook de uitspraak van de Afdeling van 27 december 2018, ECLI:NL:RVS:2018:4275.
7.Uitspraak met zaaknummer NL24.50832.
8.Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.