Uitspraak
Datum uitspraak: 22 december 2023
BESTUURSRECHTSPRAAK
appellant,
voorzitter
griffier
Raad van State
De zaak betreft een hoger beroep tegen de afwijzing van een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) voor drie Syrische vreemdelingen die nareis willen doen bij hun moeder, de referent, die in Nederland verblijft.
De staatssecretaris wees de aanvragen af omdat de vreemdelingen ten tijde van de aanvraag meerderjarig waren en de feitelijke gezinsband met de referent was verbroken. De rechtbank oordeelde echter dat voor vreemdeling 3 het nareisbeleid voor minderjarige kinderen van toepassing was, omdat zij ten tijde van de asielaanvraag van de referent minderjarig was, en dat de staatssecretaris de aanvragen voor vreemdelingen 1 en 2 opnieuw moest beoordelen in samenhang met die van vreemdeling 3.
De staatssecretaris stelde in hoger beroep dat de leeftijd van de vreemdeling bij de mvv-aanvraag bepalend is en dat hij niet ambtshalve een verblijfsvergunning kan verlenen in nareiszaken. De Afdeling bestuursrechtspraak verwierp deze grieven, bevestigde het oordeel van de rechtbank en oordeelde dat artikel 3.6b van het Vreemdelingenbesluit ook in nareiszaken van toepassing is.
De staatssecretaris moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak en de proceskosten van €837,00 aan de vreemdelingen vergoeden.
Uitkomst: De Afdeling bevestigt dat de staatssecretaris de mvv-aanvraag van vreemdeling 3 moet beoordelen volgens het nareisbeleid voor minderjarige kinderen en de aanvragen van vreemdelingen 1 en 2 opnieuw moet beoordelen, met vergoeding van proceskosten.