ECLI:NL:RBDHA:2025:27188
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beroep niet-ontvankelijk wegens vrijwillig vertrek naar Iran en intrekking verblijfsprocedures
Eiser diende op 3 november 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister wees deze aanvraag op 28 augustus 2025 af als kennelijk ongegrond. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit, maar verscheen niet op de zitting.
De minister informeerde de rechtbank dat eiser op 19 november 2025 vrijwillig met IOM naar Iran was vertrokken en daarbij een vertrekverklaring had ondertekend waarin hij instemde met het intrekken van lopende verblijfsprocedures en verblijfsvergunningen. De rechtbank stelde vast dat eiser geen procesbelang meer had bij de behandeling van het beroep, gelet op de ondertekende vertrekverklaring en bevestiging van IOM.
De rechtbank oordeelde dat het beroep daarom niet-ontvankelijk is en behandelde de zaak niet inhoudelijk. Eiser krijgt geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak werd gedaan door rechter A. Skerka op 10 december 2025.
Uitkomst: Het beroep van eiser wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang na vrijwillig vertrek naar Iran.