Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:27134

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
28 januari 2026
Zaaknummer
NL25.14983 (beroep) en NL24.35610 (voorlopige voorziening)
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening+bodemzaak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 3.51 VbArt. 3.6b VbArt. 3:2 AwbArt. 3:46 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging afwijzing verblijfsvergunning wegens onvoldoende belangenafweging en schending hoorplicht

Eiseres, een Marokkaanse vrouw, diende een aanvraag in voor een verblijfsvergunning regulier bepaalde tijd om bij haar Nederlandse echtgenoot te verblijven. Verweerder wees de aanvraag af omdat eiseres niet voldeed aan het mvv-vereiste en niet in aanmerking kwam voor vrijstelling daarvan. Verweerder erkende het familieleven, maar vond de belangenafweging in het nadeel van eiseres uitvallen.

Na het overlijden van de echtgenoot stelde verweerder dat eiseres geen procesbelang meer had. De rechtbank oordeelde echter dat eiseres wel procesbelang heeft, omdat zij geacht moet worden houder te zijn geweest van de vergunning en mogelijk recht heeft op een verblijfsvergunning op humanitaire gronden.

De rechtbank stelde vast dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met de medische situatie van de echtgenoot en onvoldoende had gemotiveerd waarom het vasthouden aan het mvv-vereiste niet tot schending van artikel 8 EVRM Pro leidde. Tevens werd de hoorplicht geschonden doordat eiseres en haar echtgenoot niet werden gehoord in bezwaar.

De rechtbank verklaarde het beroep gegrond, vernietigde het bestreden besluit en veroordeelde verweerder tot het nemen van een nieuw besluit en tot vergoeding van proceskosten en griffierecht. Het verzoek om voorlopige voorziening werd niet-ontvankelijk verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en verweerder opgedragen een nieuw besluit te nemen met vergoeding van proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.14983 (beroep) en NL24.35610 (voorlopige voorziening)
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen

[eiseres], V-nummer: [v-nummer], eiseres/verzoekster, hierna: eiseres

(gemachtigde: mr. A. Orhan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. E.G. Angela).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiseres tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd en beoordeelt de voorzieningenrechter haar verzoek om een voorlopige voorziening.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 30 augustus 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 28 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 24 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de dochter van referent, de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder.
1.4.
Het onderzoek ter zitting is aangehouden in afwachting van een nader standpunt van verweerder, die verweerder op 1 oktober 2025 aan de rechtbank heeft gezonden. Omdat geen van de partijen heeft gevraagd om een nadere zitting, is het onderzoek op 28 oktober 2025 gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiseres is geboren op [geboortedatum] 1973 en heeft de Marokkaanse nationaliteit. Eiseres heeft op 8 mei 2024 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning met het doel ‘verblijf als familie of gezinslid’ om bij haar Nederlandse echtgenoot [naam] (referent) te verblijven.
3. Verweerder heeft de aanvraag afgewezen, omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden. Zij beschikt niet over een mvv [1] en zij komt niet in aanmerking voor vrijstelling daarvan. [2] Verweerder heeft aangenomen dat eiseres familie- en privéleven in de zin van artikel 8 van Pro het EVRM [3] heeft, maar de belangenafweging is in haar nadeel uitgevallen. Op 16 juni 2025 is referent overleden. Verweerder heeft bij brief van 19 september 2025 zich op het standpunt gesteld dat eiseres vanwege het overlijden van referent geen procesbelang heeft bij de beroepszaak.
Wat vindt eiseres in beroep?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en heeft daarvoor de volgende argumenten. Ten eerste heeft verweerder de hoorplicht in bezwaar geschonden. Ten tweede wenst eiseres vrijgesteld te worden van het mvv-vereiste wegens bijzondere persoonlijke omstandigheden. Het bestreden besluit is in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. [4] Eiseres voldoet aan de materiële voorwaarden voor de afgifte van de gevraagde verblijfsvergunning en van haar kan niet verwacht worden dat zij terugkeert naar Marokko om daar haar verzoek tot afgifte van de mvv af te wachten, nu haar echtgenoot terminaal ziek is/was. Verder heeft verweerder in zijn beoordeling ten onrechte niet getoetst aan het unierechtelijk evenredigheidsbeginsel. [5] Tot slot is het bestreden besluit in strijd met artikel 8 van Pro het EVRM en artikel 17 van Pro de Gezinsherenigingsrichtlijn.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank beoordeelt of verweerder de aanvraag van eiseres kon afwijzen. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. De rechtbank geeft eiseres gelijk. Hieronder legt de rechtbank dat uit.
Heeft eiseres procesbelang bij haar beroep?
6. De rechtbank ziet zich vanwege het overlijden van referent allereerst voor de vraag gesteld of eiseres procesbelang heeft. De rechtbank overweegt dat indien zij tot het oordeel komt dat verweerder eiseres ten onrechte de gevraagde vergunning voor verblijf bij referent heeft onthouden, eiseres in dat geval geacht moet worden houder te zijn geweest van deze verblijfsvergunning. In dat geval zou zij als gevolg van het nadien overlijden van referent op grond van artikel 3.51, eerste lid, aanhef en onder c, van het Vb in aanmerking kunnen komen voor een verblijfsvergunning verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden. [6] Daarnaast kan verweerder op grond van artikel 3.6b, aanhef en onder c, van het Vb ambtshalve een verblijfsvergunning verlenen na toetsing aan artikel 8 van Pro het EVRM. De rechtbank neemt daarom – anders dan verweerder – wel procesbelang aan.

Had verweerder eiseres moeten vrijstellen van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 van Pro het EVRM?

7. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat er familieleven was tussen eiseres en referent. Het geschil gaat over de vraag of dat privé- en familieleven beschermenswaardig was zoals bedoeld in artikel 8 van Pro het EVRM. Indien uitzetting in strijd is met artikel 8 van Pro het EVRM, wordt de vreemdeling immers vrijgesteld van het mvv-vereiste. [7]
7.1.
Uit vaste jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens en de hoogste bestuursrechter in Nederland volgt dat verweerder bij de belangenafweging in het kader van het door artikel 8 van Pro het EVRM beschermde recht op eerbiediging van privé- en familieleven een
fair balancemoet vinden tussen het belang van de vreemdeling en diens familie enerzijds en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het uitvoeren van een restrictief toelatingsbeleid anderzijds. [8] De rechtbank moet beoordelen of verweerder alle relevante feiten en omstandigheden in die belangenafweging heeft betrokken. Deze maatstaf impliceert verder dat de rechter de door verweerder gemaakte belangenafweging enigszins terughoudend moet toetsen. [9]
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder bij de belangenafweging in het kader van het recht van eiseres op uitoefening van gezinsleven met haar echtgenoot onvoldoende rekening heeft gehouden met de belangen van referent en niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom aan die belangen niet meer gewicht toekomt. Hierbij acht de rechtbank van belang dat verweerder onvoldoende is ingegaan op de overgelegde verklaring van de longarts van 22 maart 2024. Uit deze verklaring blijkt dat referent uitgezaaide longkanker had. Verder staat in de verklaring dat zijn levensverwachting onzeker is, maar er een reële kans is dat deze korter is dan drie maanden. Verweerder heeft in het primaire besluit geconcludeerd dat in de brief van de longarts alleen staat dat de levensverwachting van referent onzeker is, maar dat het reëel is dat deze korter is dan drie maanden. Verweerder gaat niet in op de diagnose van referent en de WHO-performance score, die beide benoemd zijn in de verklaring. In het bestreden besluit heeft verweerder enkel het standpunt ingenomen dat eiseres niet heeft aangetoond of en welke medische behandeling haar echtgenoot krijgt en of hij hiervoor aan Nederland gebonden is. Vervolgens heeft verweerder in het bestreden besluit het standpunt ingenomen dat referent mee kan gaan naar Marokko en – indien dit niet kan – zijn kinderen hem mantelzorg kunnen verlenen. Verweerder heeft eiseres niet gehoord op haar bezwaar. Ter zitting heeft zij toegelicht dat haar man uitbehandeld was. De rechtbank acht het in dit licht onbegrijpelijk dat verweerder tegenwerpt dat referent – in de laatste maanden van zijn leven – mee zou kunnen reizen naar Marokko, dan wel van eiseres verlangt dat zij haar echtgenoot in deze situatie achterlaat om in Marokko te een mvv te halen, wetende dat hij waarschijnlijk in die tussentijd zou sterven. Met de nodige terughoudendheid toetsend is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het vasthouden aan het mvv vereiste in deze zaak niet heeft geleid tot schending van artikel 8 van Pro het EVRM.
7.3.
Ten slotte heeft verweerder de hoorplicht geschonden. Eiseres en referent zijn niet over gehoord op een hoorzitting in bezwaar, zoals bij dergelijke zaken wel van verweerder verlangd wordt. [10] De verplichting om te horen geldt in deze zaak temeer, nu verweerder bekend was met de diagnose en prognose van referent.
7.4.
Gelet op het voorgaande is het beroep gegrond en vernietigt de rechtbank het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is gegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit wordt vernietigd. Verweerder zal een nieuw besluit op bezwaar moeten nemen en daarin beoordelen of eiseres op enig moment kan worden geacht aan de voorwaarden van de vergunning te hebben voldaan en vervolgens of zij om die reden nu recht heeft op een vergunning verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden, dan wel of zij op grond van de huidige situatie in aanmerking komt voor een vergunning verband houdend met artikel 8 van Pro het EVRM.
9. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit. [11]
10. Omdat het beroep gegrond is, veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op een bedrag € 2.721,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift met een waarde van € 907,-, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift met een waarde van € 907,- en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde van € 907,-, allen met een wegingsfactor 1). Daarnaast moet verweerder het griffierecht vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep gegrond;
  • vernietigt het bestreden besluit;
  • draagt verweerder op om binnen zes weken na dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • veroordeelt verweerder tot betaling van € 2.721,- aan proceskosten aan eiseres; en
  • draagt verweerder op het door eiseres betaalde griffierecht van € 184,- te vergoeden.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.I.H. Kerstens-Fockens, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Robio, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep
of verzet open.

Voetnoten

1.Machtiging tot voorlopig verblijf.
2.De voorwaarden staan in artikel 3.71 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) en in hoofdstuk B1/4.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc).
3.Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
4.Zoals staat in artikel 3:2 en Pro 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
5.Eiseres doet in dit kader een beroep op het arrest Yön en een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 29 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:1001.
6.Zie bijvoorbeeld uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 30 september 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:10491.
7.Artikel 3.71, tweede lid, onder l, van het Vb.
8.Zie onder meer uitspraken van de Afdeling van 11 januari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:73 en 28 maart 2019, ECLI:NL:RVS:2019:974.
9.Zie de uitspraak van de Afdeling van 5 april 2017, ECLI:NL:RVS:2017:964.
10.Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918. In rechtsoverweging 4.2. is overwogen dat horen in bezwaar in bepaalde type zaken met name in de rede licht, waaronder vreemdelingrechtelijke zaken waarin 8 EVRM-aspecten aan de orde zijn.
11.Op grond van artikel 8:81 en Pro 8:83, derde lid van de Awb.