Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:27124

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
NL25.58694
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring na verzwaarde belangenafweging

Verweerder heeft op 15 juli 2025 een maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd aan eiser, die hiertegen beroep instelde tegen het voortduren van deze maatregel. De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de bewaring over de periode van 22 oktober tot 10 december 2025, na eerdere toetsing van de maatregel tot 22 oktober 2025.

Eiser stelde dat verweerder een onjuiste verzwaarde belangenafweging had gemaakt en dat het voortduren van de bewaring arbitrair was, mede verwijzend naar het arrest Mahdi. Verweerder motiveerde dat eiser onvoldoende meewerkt aan het onderzoek naar zijn identiteit en terugkeer, en dat een lichter middel niet doeltreffend is.

De rechtbank oordeelde dat verweerder voldoende concreet en gemotiveerd heeft toegelicht waarom de belangenafweging niet in het voordeel van eiser uitvalt. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd die het voortduren van de bewaring onrechtvaardigen. Het beroep is daarom ongegrond en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.58694

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. J. van Bennekom),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. B. Pattiata).

Procesverloop

Verweerder heeft op 15 juli 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 29 oktober 2025 (in de zaak NL25.49874) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 22 oktober 2025. De in deze uitspraak te toetsen periode loopt dus van 22 oktober 2025 tot 10 december 2025.
Verzwaarde belangenafweging
3. Eiser betoogt dat verweerder een onjuiste verzwaarde belangenafweging heeft gemaakt. Hij is het niet eens met het standpunt in de belangenafweging dat eiser in zijn geheel niet heeft voldaan aan zijn inspanningsverplichting en dit tevens tot de conclusie leidt dat een lichter middel niet doeltreffend kan worden toegepast. Het is volgens eiser allereerst niet aan hem om zijn verwijdering te bewerkstelligen en vanuit vreemdelingenbewaring valt dit ook niet te regelen. Het besluit de vreemdelingenbewaring te laten voortduren is daarnaast in strijd met het arrest Mahdi. Ook getuigt het laten voortduren van de bewaring van arbitrair handelen aan de zijde van verweerder, omdat hij in een andere zaak wel had besloten tot opheffing van de maatregel. In die zaak spande de vreemdeling zich ook niet in om aan documenten te komen en viel te betwijfelen of met het laten voortduren van de bewaring alsnog het gewenste resultaat zou worden bereikt. Daarnaast is de voortduring van de bewaring volgens eiser niet afhankelijk van de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden die maken dat deze niet langer gerechtvaardigd is, maar van de vraag of de voortduring als zodanig gerechtvaardigd is. Het is vervolgens aan verweerder om deze rechtvaardiging te motiveren en dus niet aan eiser om bijzondere omstandigheden aan te dragen. De bewaringsgronden die ten tijde van de oplegging van de maatregel zijn tegengeworpen, zijn onvoldoende om de voortduring van de bewaring te rechtvaardigen. Verweerder had dus met zwaardere argumenten moeten komen.
4. Het ligt op de weg van verweerder om grondig onderzoek te doen naar de feitelijke elementen van het concrete geval en een specifieke motivering te geven. Dit volgt uit de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 23 februari 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:674) en 10 april 2015 (ECLI:NL:RVS:2015:1309) en het arrest van het Hof van 5 juni 2014 (ECLI:EU:C:2014:1320, Mahdi).
5. Verweerder heeft in de verzwaarde belangenafweging van 4 november 2025 gemotiveerd waarom, ondanks dat eiser inmiddels meer dan zes maanden in bewaring zit, niet kan worden volstaan met een lichter middel. Daarbij heeft verweerder betrokken dat eiser gedurende deze zes maanden het onderzoek naar de vaststelling van zijn identiteit of nationaliteit frustreert. Volgens verweerder heeft eiser geen enkele aantoonbare actie ondernomen om aan documenten te komen en zijn terugkeer te realiseren. Ook heeft verweerder gesteld dat eiser zijn identiteit nooit met een origineel document heeft aangetoond. In tegenstelling tot wat eiser betoogt, rust op eiser wel de verplichting om volledig en actief mee te werken aan zijn uitzetting. Niet is gebleken dat eiser dat voldoende heeft gedaan. Daarnaast valt niet te bezien dat eiser hier vanuit vreemdelingenbewaring geen invulling aan zou kunnen geven. Zo heeft hij in het meest recente vertrekgesprek ook ingestemd met het zelf bellen van een ambassade vanuit de vreemdelingenbewaring (weliswaar de ambassade van Sudan). Dat verweerder in een andere zaak, waarin een vreemdeling (ook) geen actie ondernam om aan documenten te komen, heeft besloten tot opheffing van de maatregel maakt niet dat verweerder arbitrair handelt door de bewaring van eiser wel te laten voortduren. Niet is gesteld of gemotiveerd dat sprake was van volledig gelijke gevallen. Daarnaast overweegt de rechtbank dat bijzondere omstandigheden ertoe kunnen leiden dat aan de belangen van eiser een groter gewicht moet toekomen dan aan de belangen van verweerder, maar het is aan eiser om met dergelijke omstandigheden te komen. Dat heeft hij – ook in beroep – niet gedaan. Tot slot overweegt de rechtbank dat het weliswaar onvoldoende is om bij verzwaarde belangenafweging alleen te verwijzen naar de bewaringsgronden, maar dat verweerder dat hier ook niet doet. Verweerder heeft gemotiveerd dat eisers frustratie van het onderzoek naar de vaststelling van zijn identiteit en nationaliteit daar bij komt, net als het feit dat hij geen actie onderneemt om zijn terugkeer te realiseren of zijn identiteit aan te tonen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder hiermee voldoende concreet gemotiveerd waarom de belangenafweging niet in het voordeel van eiser uitvalt. Van strijd met het arrest Mahdi is dan ook geen sprake. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.