Eiser diende op 11 juni 2024 een aanvraag in voor een verblijfsvergunning asiel. Verweerder besloot de aanvraag op 24 oktober 2025 af te wijzen wegens ongeloofwaardigheid van de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser, waardoor het asielmotief niet inhoudelijk werd beoordeeld.
Eiser stelde dat verweerder onvoldoende rekening had gehouden met een medisch advies over zijn psychische gesteldheid en mogelijk verstandelijke beperking. De rechtbank oordeelde dat het medisch advies geen aanwijzingen gaf voor een verstandelijke beperking en dat verweerder voldoende zorgvuldig en gemotiveerd had gehandeld.
Het beroep tegen het niet tijdig beslissen werd niet-ontvankelijk verklaard omdat verweerder inmiddels een besluit had genomen. De rechtbank veroordeelde verweerder wel in de proceskosten van eiser wegens overschrijding van de beslistermijn. Het beroep tegen de inhoudelijke afwijzing van de asielaanvraag werd ongegrond verklaard.