ECLI:NL:RBDHA:2025:27111

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
26 januari 2026
Zaaknummer
NL25.53031 en NL25.38684
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Asielaanvraag en beroep tegen niet tijdig beslissen in de zaak van een Eritrese vreemdeling

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 17 december 2025 wordt het beroep van een Eritrese vreemdeling behandeld die een aanvraag om asiel heeft ingediend. Eiser heeft op 11 juni 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 16 augustus 2025 heeft hij beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door de minister van Asiel en Migratie. De rechtbank oordeelt dat de minister de aanvraag op 24 oktober 2025 heeft afgewezen als ongegrond, omdat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser ongeloofwaardig zijn bevonden. Eiser heeft onvoldoende bewijs geleverd voor zijn claims en zijn verklaringen zijn tegenstrijdig. De rechtbank heeft het beroep tegen het niet tijdig beslissen niet-ontvankelijk verklaard, omdat de wettelijke beslistermijn is overschreden, maar heeft eiser wel in de proceskosten veroordeeld. Het beroep tegen het bestreden besluit is eveneens niet-ontvankelijk verklaard, omdat de rechtbank oordeelt dat de minister voldoende rekening heeft gehouden met het medisch advies en de mentale gesteldheid van eiser. De rechtbank concludeert dat de aanvraag terecht is afgewezen en dat eiser geen recht heeft op een verblijfsvergunning asiel.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.53031 en NL25.38684

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 17 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser

(gemachtigde: mr. O.C. Bondam),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar).

Inleiding

1. In deze uitspraak oordeelt de rechtbank over het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag.
1.1.
Eiser heeft op 11 juni 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Op 16 augustus 2025 heeft eiser beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit door verweerder (NL25.38684). Verweerder heeft met het bestreden besluit van 24 oktober 2025 de aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond [1] . Op 29 oktober 2025 heeft eiser apart beroep ingesteld tegen het bestreden besluit (NL25.53031).
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 11 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, A. Solomon als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2002 en de Eritrese nationaliteit te hebben. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij bij terugkeer naar Eritrea vreest om in militaire dienst te moeten.
Wat heeft verweerder besloten?
3. Volgens verweerder bevat eisers asielrelaas twee asielmotieven:
Identiteit, nationaliteit en herkomst;
Ontduiking dienstplicht en de daaruit voortvloeiende illegale uitreis.
3.1.
Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser ongeloofwaardig gevonden [2] en heeft daarom het asielrelaas van eiser niet inhoudelijk beoordeeld. Hierbij is volgens verweerder in de eerste plaats van belang dat eiser met betrekking tot zijn identiteit, nationaliteit en herkomst onvoldoende documenten heeft gegeven zonder daarvoor een goede verklaring te hebben. In de tweede plaats vormen de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel, omdat eiser oppervlakkig heeft verklaard over zijn herkomst en summier heeft verklaard over de dienstplicht. Ook zijn de verklaringen over het enkel beheersen van de taal Tigrinya onlogisch en tegenstrijdig met openbare informatie, heeft eiser ongeloofwaardig verklaard over zijn schoolverloop, en zijn de verklaringen over zijn illegale uitreis tegenstrijdig en summier. In de derde plaats kan eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd, omdat hij tegenstrijdig heeft verklaard over zijn geboortedatum. Tot slot heeft verweerder een terugkeerbesluit gericht op Eritrea opgelegd.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Verweerder heeft onvoldoende rekening gehouden met het medisch advies, waarin staat dat eiser heeft aangegeven psychische klachten te ervaren door beladen gebeurtenissen en wordt geadviseerd een pauze in te lassen bij oplopende spanningen. Eiser voert aan dat hij vier keer is blijven zitten op school in Eritrea en een laag opleidingsniveau heeft. Zijn IQ zal om die reden zeker niet bovengemiddeld en eerder lager dan het gemiddelde IQ in Eritrea zijn. Volgens de gemachtigde is niet onaannemelijk dat eiser licht verstandelijk beperkt is en kan eiser in ieder geval niet goed tellen, zoals blijkt uit het feit dat hij verkeerde jaartallen heeft genoemd tijdens zijn gehoor. De spanning van het gehoor in samenhang bezien met zijn verstandelijke vermogen heeft tot gevolg gehad dat eiser zijn relaas niet goed naar voren heeft kunnen brengen. Verweerder heeft met het voorgaande onvoldoende rekening gehouden en had een extra gehoor aan moeten bieden.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Beroep niet-tijdig beslissen
5. Voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep wordt het niet tijdig nemen van een besluit met een besluit gelijkgesteld. [3] Tegen het niet tijdig beslissen staat daarom beroep bij de rechtbank open. Het beroepschrift kan worden ingediend zodra het bestuursorgaan in gebreke is tijdig een besluit te nemen en twee weken zijn verstreken nadat belanghebbende het bestuursorgaan schriftelijk heeft meegedeeld dat het in gebreke is. [4]
5.1.
In beginsel beslist verweerder binnen 6 maanden op de aanvraag voor een asielvergunning. Met de publicatie van WBV 2023/26 heeft verweerder de beslistermijn voor asielaanvragen die zijn ingediend vanaf 1 januari 2024 tot uiterlijk 1 januari 2025 echter verlengd met 9 maanden. Deze zittingsplaats heeft echter geoordeeld dat WBV 2023/26 niet rechtsgeldig is. [5]
5.2.
Nu verweerder de beslistermijn niet rechtsgeldig heeft verlengd met WBV 2023/26, had hij uiterlijk op 11 december 2024 moeten beslissen. Eiser heeft verweerder met de brief van 29 juli 2025, ontvangen door verweerder op 31 juli 2025, in gebreke gesteld. Hierna zijn meer dan twee weken verstreken voordat eiser op 16 augustus 2025 beroep heeft ingesteld. Anders dan verweerder meent, is de ingebrekestelling niet prematuur ingediend.
5.3.
Aangezien de wettelijke beslistermijn is overschreden en verweerder pas na overschrijding van deze termijn een besluit heeft genomen, veroordeelt de rechtbank verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep niet-tijdig beslissen redelijkerwijs heeft moeten maken.
5.4.
Nu verweerder op de aanvraag van eiser heeft beslist, is het belang van eiser bij een beoordeling van het beroep tegen het niet-tijdig beslissen op zijn aanvraag te komen vervallen. Het beroep voor zover het gericht is tegen het niet-tijdig beslissen, is daarom niet-ontvankelijk.
5.5.
Het beroep tegen het niet tijdig nemen van een besluit heeft ook betrekking op het alsnog genomen besluit, tenzij dit geheel aan het beroep tegemoet komt. [6] Eiser kan zich niet verenigen met het genomen besluit. Verweerder is dan ook niet volledig aan het beroep van eiser tegemoetgekomen. Het beroep van eiser tegen het niet tijdig nemen van een besluit is daarom van rechtswege ook gericht tegen het bestreden besluit. Eiser heeft tegen dit besluit ook afzonderlijk beroep ingesteld (NL25.53031). Dit beroep zal de rechtbank op grond van het voorgaande niet-ontvankelijk verklaren.
Inhoudelijk besluit: zorgvuldigheid van de besluitvorming
6. Tussen partijen is in geschil of verweerder bij het afnemen van het nader gehoor en de besluitvorming voldoende rekening heeft gehouden met het medisch advies en de mentale gesteldheid van eiser.
6.1.
De rechtbank stelt in de eerste plaats vast dat voorafgaand aan het nader gehoor een medisch rapport is opgesteld waarin, zoals eiser ook heeft gesteld, staat dat eiser heeft aangegeven psychische klachten te ervaren door beladen gebeurtenissen en is geadviseerd dat een pauze moet worden ingelast bij oplopende spanningen. Uit het medisch advies blijkt niet dat er sprake is van een verstandelijke beperking. Voor de rechtbank staat daarom niet vast dat eiser een verstandelijke beperking heeft. Nu eiser voorafgaande door Medtadvies is onderzocht en bij eiser geen verstandelijke beperking is vastgesteld, en het door eiser overgelegde overzicht van de wereldwijde gemiddelde IQ scores en de verwijzing naar een artikel over licht verstandelijke beperkingen in de asielprocedure [7] , geen concrete aanknopingspunten vormen om te twijfelen aan de juistheid van het advies van Medtadvies, was er voor verweerder geen aanleiding om nader onderzoek te doen. Dat verweerder een aanvullend gehoor had moeten aanbieden, volgt de rechtbank niet. Het is aan eiser om zijn gestelde verstandelijke beperking met objectieve informatie te onderbouwen, maar eiser heeft dit op geen enkele manier gedaan.
6.2.
Ten aanzien van de beroepsgrond dat eiser vier keer is blijven zitten en hij een laag IQ heeft, niet goed kan tellen en hij vermoedelijk verstandelijk beperkt is, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser heeft met deze stelling enkel herhaald wat hij al in zijn zienswijze op het voornemen heeft genoemd. Verweerder is in het bestreden besluit hier al gemotiveerd op ingegaan. Nu eiser in beroep niet heeft geconcretiseerd op welke punten de motivering van het bestreden besluit ontoereikend is, kan de enkele herhaling van de zienswijze in beroep niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. [8]
6.3.
Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit voldoende zorgvuldig is voorbereid en voldoende is gemotiveerd.
6.4.
Verweerder heeft gelet op het bovenstaande niet ten onrechte geoordeeld dat de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst ongeloofwaardig zijn. Omdat een asielmotief volgens vaste jurisprudentie van de hoogste bestuursrechter slechts betekenis heeft tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling, hoefde verweerder geen inhoudelijke beoordeling van het asielrelaas uit te voeren. [9] Dit betekent dat verweerder in de asielgronden van eiser ook geen reden heeft hoeven zien om asiel te verlenen aan eiser.
6.5.
Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn situatie hem recht geeft op een verblijfsvergunning asiel en de aanvraag daarom met toepassing van het bepaalde in artikel 31, eerste lid, van de Vw, ongegrond heeft mogen verklaren.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep in de zaak NL25.38684 voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen is niet-ontvankelijk. Eiser krijgt hiervoor wel een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 453,50. [10]
8. Het beroep in de zaak NL25.53031 is niet-ontvankelijk.
9. Het beroep in de zaak NL25.38684, voor zover gericht tegen het alsnog genomen besluit van 24 oktober 2025, is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep met zaaknummer NL25.38684, voor zover het is gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, niet-ontvankelijk;
  • verklaart het beroep met zaaknummer NL25.38684, voor zover het is gericht tegen het bestreden besluit, ongegrond;
  • verklaart het beroep in de zaak NL25.53031 niet-ontvankelijk;
  • veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.M.A. Vinken, rechter, in aanwezigheid van mr. P.P. Schaap, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 31 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
2.Op grond van artikel 31, zesde lid, onder b, c en e, van de Vw.
3.Artikel 6:2, aanhef en onder b, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
4.Artikel 6:12, eerste lid, van de Awb.
5.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 21 februari 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:2500.
6.Artikel 6:20, derde lid, van de Awb.
7.Artikel van M. Kollen, ‘Licht verstandelijk beperkt in de asielprocedure’,
8.Zie onder meer de uitspraak van de Afdeling van 4 juli 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2169.
9.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 6 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:292.
10.1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor ½.