ECLI:NL:RBDHA:2025:26807

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
19 januari 2026
Zaaknummer
C/09/687665 / HA RK 25-334
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Deelgeschil letselschade met betrekking tot verlies van fiscale niet-verantwoorde inkomsten en pensioenvoordeelstoerekening

In deze zaak betreft het een deelgeschil in het kader van letselschade, waarbij de verzoeker, een zelfstandig schilder, letselschade heeft opgelopen bij een verkeersongeval op 15 maart 2020. De verzoeker heeft a.s.r. aansprakelijkheid gesteld, die erkend is op 12 juni 2020. De verzoeker heeft een verbrijzelde linker pols opgelopen en heeft sindsdien niet meer als zelfstandig schilder gewerkt. Hij heeft een schadeberekening laten maken door Laumen Expertise, die de totale schade op € 1.037.437,00 heeft vastgesteld, inclusief een schadepost voor verlies van fiscale niet-verantwoorde (zwarte) inkomsten. De verzoeker vraagt de rechtbank om te bepalen dat het verlies aan neveninkomsten moet worden vastgesteld op € 18.600,00 per jaar voor een looptijd van 41 jaar, en dat er geen grond is voor voordeelstoerekening met betrekking tot de door hem opgebouwde pensioenrechten na het ongeval. A.s.r. verzet zich tegen deze verzoeken en stelt dat het opgebouwde pensioen wel degelijk voor verrekening in aanmerking komt. De rechtbank oordeelt dat er geen grond is voor voordeelstoerekening en dat de rekenrente moet worden gebaseerd op de meest recente aanbevelingen. De kosten van het deelgeschil worden begroot op € 4.410,00, te vermeerderen met btw en griffierecht.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel
Zaaknummer / rekestnummer: C/09/687665 / HA RK 25-334
Beschikking van 27 november 2025
in de zaak van
[verzoeker]te [woonplaats] ,
verzoeker,
hierna te noemen: ‘ [verzoeker] ’,
advocaat: mr. Ç. Türkeli,
tegen
ASR SCHADEVERZEKERING N.V.te Utrecht,
verweerster,
hierna te noemen: ‘a.s.r.’,
advocaat: mr. T. Havekes.

1.De procedure

1.1.
Het procesdossier bestaat uit de volgende stukken:
- het verzoekschrift ex artikel 1019w Rv, op 1 juli 2025 ingekomen op de griffie van deze rechtbank, met producties 1 tot en met 21;
- het verweerschrift, zonder producties.
1.2.
De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 16 oktober 2025. Daarbij is het verzoek van [verzoeker] met partijen en hun advocaten besproken. Van dat wat partijen ter zitting naar voren hebben gebracht is geen proces-verbaal opgemaakt. Wel zijn er zittingsaantekeningen gemaakt.
1.3.
Vervolgens is een datum voor beschikking bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 15 maart 2020 heeft [verzoeker] letselschade opgelopen bij een verkeersongeval in Den Haag. [verzoeker] is als bestuurder van een motor ten val gekomen door toedoen van een bij a.s.r. in het kader van de WAM-verzekerde personenauto. De verzekerde van a.s.r. verleende geen voorrang aan [verzoeker] .
2.2.
[verzoeker] heeft a.s.r. aansprakelijkheid gesteld, die zij heeft erkend op 12 juni 2020. Partijen zijn met elkaar in overleg getreden over de schaderegeling.
2.3.
[verzoeker] heeft bij het ongeval onder meer een verbrijzelde linker pols opgelopen.
2.4.
Ten tijde van het verkeersongeval werkte [verzoeker] (fulltime) als zelfstandig schilder vanuit zijn eenmanszaak [eenmanszaak] , opgericht in 2016. [verzoeker] had geen pensioenvoorziening.
2.5.
[verzoeker] heeft na het ongeval niet meer gewerkt als (zelfstandig) schilder.
2.6.
A.s.r. heeft Sedgwick verzocht de schade van [verzoeker] te inventariseren. Sedgwick heeft in dat kader een huisbezoek gebracht aan [verzoeker] en een rapport opgesteld (gedateerd 21 augustus 2020).
2.7.
Op 21 september 2022 heeft een orthopedische expertise plaatsgevonden. Uit het daaropvolgende definitieve orthopedisch expertiserapport van 25 oktober 2022 volgt, kort gezegd en voor zover hier relevant, dat de deskundige de gestelde klachten van de schouder en linker elleboog niet kan verklaren op orthopedisch vakgebied. Het percentage functionele invaliditeit gehele persoon (figp) als gevolg van het polsletsel is vastgesteld op 7%.
2.8.
[verzoeker] is sinds 3 april 2023 in loondienst werkzaam bij [bedrijfsnaam] B.V. als materiaalbeheerder (voor 37,5 uur per week). Bij deze werkgever bouwt [verzoeker] pensioen op.
2.9.
[verzoeker] heeft Laumen Expertise (‘Laumen’) gevraagd de schade te berekenen die hij lijdt en nog zal lijden als gevolg van het verkeersongeval.
2.10.
Op 11 september 2023 heeft Laumen een rekenkundig rapport afgegeven, waarin zij de totale schade van [verzoeker] vaststelt op een bedrag van € 1.037.437,00 (bestaande in reeds verschenen schade, toekomstige schade en een fiscale component). Kort gezegd en voor zover hier relevant staat in het rapport van Laumen dat:
  • [verzoeker] ‘zwarte’ inkomsten had en dat Laumen (op basis van een verklaring van [verzoeker] en verklaringen van drie van zijn opdrachtgevers) uitgaat van (een verlies aan) zwarte inkomsten van gemiddeld € 1.550,00 per maand, derhalve € 18.600,00 per jaar, over een looptijd van 41 jaar (pensioengerechtigde leeftijd). Laumen heeft dit in de berekening opgenomen als ‘schade wegens verlies neveninkomsten’ en komt ten aanzien van deze post tot een totaalbedrag van € 419.928,00;
  • [verzoeker] in de situatie zonder ongeval geen pensioen opbouwde en dat de pensioenopbouw niet wordt berekend, omdat er geen pensioenschade is;
  • bij de schadeberekening is uitgegaan van de Aanbevelingen rekenrente in Personenschadezaken van maart 2023.
2.11.
[verzoeker] heeft vervolgens op basis van het rapport van Laumen aan a.s.r. een voorstel voor een schaderegeling gedaan waarop Sedgwick namens a.s.r. afwijzend heeft gereageerd.
2.12.
Bij brief van 17 mei 2024 heeft Laumen als volgt gereageerd op een bericht van Sedgwick, voor zover hier relevant:
- Pensioen
De heer [verzoeker] was ten tijde van het ongeval een zelfstandig ondernemer en had geen pensioenvoorziening. Na het ongeval is hij in loondienst en is hij verplicht deelnemer aan een pensioenregeling. Daarom ontstaat er een opkomend voordeel; de heer [verzoeker] bouwt na het ongeval een pensioen op die hij zonder het ongeval niet gehad zou hebben. Een opkomend voordeel mag verrekend worden met de schade maar alleen met de schade die na het opkomend voordeel opkomt. Die is er niet, dus het opkomend voordeel kan niet verekend worden. Sedgwick omschrijft dit als een probleem, maar ik zie dit probleem niet.
Sedgwick geeft aan dat de pensioenpremie, die de heer [verzoeker] nu betaalt in loondienst, ook opgenomen dient te worden in de situatie zonder ongeval.
In een berekening van het verlies aan arbeidsvermogen wordt de hypothetische situatie afgezet tegen de feitelijke situatie. In de hypothetische situatie was er geen pensioenvoorziening en is er geen reden om dit wel op te nemen. In de feitelijke situatie is er wel een pensioenvoorziening. Ik zie niet in waarom hiervan afgeweken moet worden.
- Rekenrente
Onze berekening is gebaseerd op de Aanbeveling Rekenrente van de rechterlijke macht. Sedgwick schrijft dat deze achterhaald is, maar wij zien dat deze nog steeds leidend is in de meeste zaken. Daarbij de kanttekening dat een update van de aanbevelingen gewenst is, want de rentepercentags zijn inmiddels wel gestegen.
2.13.
Het is partijen niet gelukt buiten rechte overeenstemming te bereiken. A.s.r. heeft tot heden € 235.000,00 bevoorschot op de schade van [verzoeker] .

3.Het verzoek in deelgeschil en het verweer

3.1.
Het verzoek van [verzoeker] strekt ertoe, samengevat, dat de rechtbank bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:
  • a) bepaalt dat het verlies aan neveninkomsten als gevolg van het ongeval moet worden vastgesteld op € 18.600,00 per jaar voor een looptijd van 41 jaar (pensioengerechtigde leeftijd [verzoeker] , 67 jaar) althans een in goede justitie te bepalen looptijd;
  • b) bepaalt dat er geen grond is voor toepassing van voordeelstoerekening op grond van artikel 6:100 BW ten aanzien van de door [verzoeker] opgebouwde pensioenrechten na het ongeval;
  • c) bepaalt dat bij de schadeberekening uitsluitend aansluiting moet worden gezocht bij de Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken van maart 2023;
  • d) de kosten van dit deelgeschil begroot op een bedrag van € 9.946,78 inclusief € 90,00 griffierecht en te bepalen dat a.s.r. deze kosten binnen 14 dagen na het wijzen van deze beschikking dient te voldoen aan de belangenbehartiger van [verzoeker] , bij gebreke waarvan wettelijke rente van artikel 6:119 BW verschuldigd is.
3.2.
Aan het verzoek heeft [verzoeker] het volgende ten grondslag gelegd. Hoewel a.s.r. gehouden is de schade te vergoeden die [verzoeker] lijdt als gevolg van het ongeval, is zij ten onrechte niet bereid de schade te vergoeden uit hoofde van gemist inkomen uit fiscaal niet-verantwoorde (zwarte) werkzaamheden, een schadepost die volgens Laumen bijna
€ 420.000,00 bedraagt. Voordeelstoerekening van het pensioen is niet aan de orde, omdat niet is voldaan aan het bepaalde in artikel 6:100 BW. Verder moet bij de schadeberekening worden uitgegaan van de Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken van maart 2023, omdat Laumen heeft geschreven dat die breed worden gevolgd en in de meeste letselschadezaken als uitgangspunt gelden.
3.3.
A.s.r. verzet zich tegen toewijzing van het verzoek en voert verweer en verzoekt indien nodig bij wijze van tegenverzoek dat de rechtbank, bij voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking bepaalt dat:
  • a) het sinds het ongeval opgebouwde pensioen op grond van artikel 6:100 BW voor verrekening in aanmerking komt en;
  • b) voor de rekenrente moet worden uitgegaan van de Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken, versie 1 augustus 2024.
3.4.
A.s.r. bestwist dat sprake is van verlies aan zwarte inkomsten althans de door [verzoeker] gestelde omvang van de schadepost fiscaal niet-verantwoorde (zwarte) inkomsten. Gemiste zwarte inkomsten kunnen voor vergoeding in aanmerking komen, mits de aard en omvang daarvan aannemelijk is gemaakt. Dit heeft [verzoeker] niet gedaan en de stukken bieden ook voor het overige onvoldoende onderbouwing. Voordeelstoerekening is op zijn plaats, omdat het opgebouwde pensioen een toekomstig voordeel oplevert wat [verzoeker] niet zou hebben gehad indien het ongeval zich niet zou hebben voorgedaan (met gedeeltelijke aftrek van betaalde pensioenpremies, die daarop in mindering moeten worden gebracht). Voor de rekenrente moet zoals te doen gebruikelijk worden aangesloten bij de meest recente aanbevelingen.
3.5.
Op de standpunten van partijen wordt hierna, voor zover van belang, ingegaan.

4.De beoordeling

Behandeling in deelgeschil
4.1.
Tijdens het schaderegelingstraject is tussen partijen discussie ontstaan over de door [verzoeker] gestelde schadepost verlies fiscaal niet-verantwoorde (zwarte) inkomsten en (het antwoord op de vraag) of het door [verzoeker] na het ongeval opgebouwde pensioen moet worden verrekend in de zin van artikel 6:100 BW en welke rekenrente moet worden gehanteerd. Dat de beoordeling van dit een en ander zich leent voor behandeling in deelgeschil, is niet in geschil. De rechtbank ziet geen aanleiding daar anders over te oordelen en zal het verzoek inhoudelijk beoordelen.
Inhoudelijke beoordeling
Verlies fiscaal niet-verantwoorde (zwarte) inkomsten
4.2.
Ter zitting hebben partijen een regeling getroffen voor de gestelde schadepost verlies fiscaal niet-verantwoorde (zwarte) inkomsten. Het verzoek onder 3.1.(a) behoeft daarmee geen bespreking meer. Partijen hebben de rechtbank verzocht beschikking te wijzen op de resterende (tegen)verzoeken.
Voordeelstoerekening pensioen
4.3.
[verzoeker] heeft uiteengezet dat verlies aan verdienvermogen uitsluitend kan worden verminderd door voordelen die specifiek bedoeld zijn om dit verlies op te vangen en dat dit hier niet het geval is. Pensioenopbouw is immers in de eerste plaats bedoeld als oudedagsvoorziening en niet als compensatie voor verlies aan verdienvermogen. A.s.r. heeft
betoogd dat het pensioen dat [verzoeker] in de situatie met ongeval ontvangt en wat hij in de situatie zonder ongeval niet zou hebben ontvangen, als opkomend voordeel moet worden verdisconteerd in de schadeberekening.
4.4.
Artikel 6:100 BW geeft een algemene regel voor (het antwoord op) de vraag wat rechtens is wanneer een gebeurtenis waarvoor iemand aansprakelijk is, naast schade tevens voordeel voor de benadeelde oplevert. De wetgever achtte het wenselijk deze algemene regel in de wet op te nemen, maar ook om de rechter op dit punt een grote mate van vrijheid te laten. [1] Niet alleen van de aansprakelijke, maar ook van derden ontvangen voordelen komen, indien aan de uit de maatstaf voortvloeiende eisen is voldaan, voor toerekening in aanmerking. [2] Bij de beoordeling van een beroep op voordeelstoerekening gaat het erom dat genoten voordelen, voor zover dat redelijk is, mede in aanmerking behoren te worden genomen bij de vaststelling van de te vergoeden schade. Daarvoor is allereerst vereist dat tussen de normschending en de gestelde voordelen een condicio-sine-qua-nonverband bestaat, in die zin dat in de omstandigheden van het geval sprake is van een voordeel dat zonder de normschending niet zou zijn opgekomen. Voorts dient het met inachtneming van de in artikel 6:98 BW besloten maatstaf redelijk te zijn dat die voordelen in rekening worden gebracht bij de vaststelling van de te vergoeden schade. [3]
4.5.
Er is sprake van het hiervoor bedoelde condicio-sine-qua-nonverband. Immers, [verzoeker] werkt niet meer als zelfstandig schilder vanwege het polsletsel dat hij heeft opgelopen bij het verkeersongeval en is daarom ergens anders in loondienst getreden, waar hij pensioen opbouwt. Als onvoldoende weersproken staat vast dat zonder het ongeval geen pensioenopbouw zou hebben plaatsgevonden, omdat [verzoeker] in dat geval zijn werkzaamheden als zelfstandig schilder zonder pensioenvoorziening zou hebben voortgezet.
4.6.
In een arrest van 1 oktober 2010 heeft De Hoge Raad in geval van letselschade nader geconcretiseerd onder welke omstandigheden een uitkering uit verzekering als voordeel op een schadevergoeding in mindering kan worden gebracht. [4] In dat arrest overwoog de Hoge Raad onder meer:
“Is sprake van letselschade en gaat het om een voordeel dat bestaat in een verzekeringsuitkering, dan is bij de toepassing van art. 6:100 het volgende in aanmerking te nemen:
(…)
(c) Geschiedt de uitkering
op grond van een sommenverzekering - in welk geval de uitkering niet ervan afhankelijk is of schade is geleden (artikel 7:964 BW) en geen subrogatie plaatsvindt - die door de benadeelde zelf (of door een ander, buiten de sfeer van de aansprakelijke persoon) is gesloten en betaald, dan komt verrekening in het algemeen niet in aanmerking, nu het bestaan van een zodanige verzekering een aangelegenheid is die de schadeplichtige niet aangaat, waar het afsluiten van een dergelijke verzekering een zuiver individuele en persoonlijke beslissing is, zowel wat betreft de vraag of men een zodanige verzekering zal afsluiten, als wat betreft de vraag voor welke bedragen men zich wenst te verzekeren en welke premie men in verband daarmee bereid is te betalen (vgl. HR 28 november 1969, NJ 1970/172). Indien de rechter van oordeel is dat verrekening niettemin redelijk is, dan dient hij onder ogen te zien of de redelijkheid dan niet ook meebrengt dat die verrekening wordt beperkt met het oog op de premies die in de loop der tijd voor de verzekering zijn betaald.”
4.7.
De rechtbank overweegt dat pensioenopbouw kan worden beschouwd als een (soort) sommenverzekering zoals hiervoor bedoeld. Het dient in ieder geval als uitgesteld inkomen voor later dat pas tot uitkering komt bij de pensioengerechtigde leeftijd en is niet bedoeld als compensatie voor huidig verlies aan verdienvermogen. [verzoeker] lijdt echter nu al schade als gevolg van het verlies aan verdienvermogen en zou dubbel worden benadeeld indien tot verrekening wordt overgegaan. Deze omstandigheden, waar a.s.r. desgevraagd ter zitting onvoldoende tegenover heeft gezet, pleiten tegen verrekening en maken dat de rechtbank, alles in onderling verband en samenhang bezien, tot de conclusie komt dat voordeelstoerekening van het opgebouwde pensioen geen recht doet aan de situatie.
4.8.
Dit betekent dat het verzoek van [verzoeker] onder 3.1.(b) zal worden toegewezen en dat het tegenverzoek van a.s.r. onder 3.3.(a) zal worden afgewezen.
Rekenrente
4.9.
Dat het gangbaar is om bij de berekening van schade aansluiting te zoeken bij de percentages van de Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken van de rechtspraak, is niet in geschil en ook Laumen gaat hiervan uit. Partijen zijn het er echter niet over eens welke versie van de aanbevelingen in de berekening moet worden betrokken; die van maart 2023 of die van augustus 2024.
4.10.
De rechtbank neemt in aanmerking dat de meest recente (huidige) versie van de aanbevelingen van augustus 2024 nog niet beschikbaar was ten tijde van het schrijven van de brief van Laumen van 17 mei 2024 en dat Laumen in voornoemde brief heeft opgemerkt dat bijstelling van de aanbevelingen gewenst is gelet op de actuele (gestegen) rentepercentages. Hieruit leidt de rechtbank af dat Laumen er kennelijk oog voor heeft gehad dat een nieuwe versie van de aanbevelingen zou worden samengesteld, wat kort daarna ook is gebeurd, teneinde dit als geactualiseerd uitgangspunt te laten gelden.
4.11.
Bij deze stand van zaken valt niet in te zien dat het voor de hand ligt om uit te gaan van inmiddels achterhaalde Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken. Het verzoek van [verzoeker] onder 3.1.(c) zal worden afgewezen. Het tegenverzoek van a.s.r. onder 3.3.(b) zal worden toegewezen.
Kosten deelgeschil
4.12.
De advocaat van [verzoeker] maakt aanspraak op (de vergoeding van) een totaalbedrag van € 9.946,78 (inclusief 6% kantoorkosten, 21% btw en € 90,00 griffierecht).
4.13.
A.s.r. betwist de begroting van de kosten voor het deelgeschil. Samengevat luidt haar standpunt dat de gestelde kosten en de hoogte daarvan bovenmatig en niet reëel zijn.
4.14.
Ingevolge 1019aa lid 1 Rv dient de rechtbank de kosten bij de behandeling van het verzoek aan de zijde van de persoon die schade door dood of letsel lijdt te begroten op de voet van artikel 6:96 BW, ook als het verzoek wordt afgewezen. Dit betekent dat de benadeelde deze kosten in beginsel vergoed kan krijgen van een andere partij, als diens aansprakelijkheid tenminste komt vast te staan. Voorts dient hierbij de dubbele redelijkheidstoets gehanteerd te worden: het dient redelijk te zijn dat de kosten zijn gemaakt en de hoogte van de kosten dient eveneens redelijk te zijn. Dit betekent dat indien een deelgeschilprocedure volstrekt onnodig of onterecht is ingesteld, de kosten daarvan niet voor vergoeding in aanmerking komen.
4.15.
De rechtbank is van oordeel dat deze laatste situatie niet aan de orde is, het is redelijk dat met onderhavige procedure kosten zijn gemaakt. In aanmerking genomen het verweer van a.s.r. en gelet op de aard en de gemiddelde complexiteit van dit geschil in combinatie met de toelichting ter zitting van de advocaat van [verzoeker] - die erop neerkomt dat hij sinds 2019 letselschadezaken in behandeling heeft en niet is aangesloten bij een vereniging voor gespecialiseerde letselschadeadvocaten en geen Grotius-specialisatieopleiding heeft gevolgd -, is matiging van het gehanteerde uurtarief van
€ 290,00 en de gestelde tijdsbesteding van 26,5 uren op zijn plaats. Hierbij neemt de rechtbank ook in aanmerking dat de advocaat van [verzoeker] al zes jaar betrokken is bij deze zaak en dat dus van hem mag worden verwacht dat hij op de hoogte is van de inhoud daarvan, maar niettemin 20 uur in rekening is gebracht voor het opstellen van het verzoekschrift, terwijl buiten rechte al uitvoerig over de geschilpunten is gecorrespondeerd en in het verzoekschrift geen nieuwe stellingen naar voren zijn gebracht.
4.16.
De rechtbank begroot de tijdsinvestering van de advocaat van [verzoeker] in verband met het deelgeschil op 18 uren in totaal en vermenigvuldigt dit met een redelijk uurtarief van € 245,00 een en ander zoals aangevoerd door a.s.r., derhalve een bedrag van € 4.410,00 nog te vermeerderen met 21% btw en € 1.374,00 voor het betaalde griffierecht, waarbij de rechtbank ervan uitgaat dat de verzochte € 90,00 aan griffierecht een verschrijving is. De door de advocaat van [verzoeker] gevorderde kantoorkosten van 6% worden buiten beschouwing gelaten, omdat deze geacht worden te zijn verdisconteerd in het uurtarief.

5.De beslissing

De rechtbank:
5.1.
bepaalt dat er geen grond is voor toepassing van voordeelstoerekening op grond van artikel 6:100 BW ten aanzien van de door [verzoeker] opgebouwde pensioenrechten na het ongeval;
5.2.
bepaalt dat voor de rekenrente moet worden uitgegaan van de Aanbevelingen rekenrente in personenschadezaken, versie 1 augustus 2024;
5.3.
begroot de kosten van dit deelgeschil op een bedrag van € 4.410,00 te vermeerderen met 21% btw en € 1.374,00 voor het griffierecht en veroordeelt a.s.r. tot betaling daarvan aan de advocaat van [verzoeker] binnen 14 dagen na het wijzen van deze beschikking, te vermeerderen met de wettelijke rente van artikel 6:119 BW bij het uitblijven van tijdige betaling;
5.4.
verklaart de beslissing onder 5.3 uitvoerbaar bij voorraad;
5.5.
wijst af het meer of anders verzochte.
Deze beschikking is gegeven door mr. S.M. de Bruijn en in het openbaar uitgesproken op 27 november 2025.

Voetnoten

1.TM, Parl. Gesch. BW Boek 6 1981, p. 348.
2.HR 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1027.
3.HR 8 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1483.
4.HR 1 oktober 2010, ECLI:NL:2010:BM7808.