Art. 59 VwArt. 96 lid 3 VwArt. 5 richtlijn 2008/115ECLI:NL:RVS:2024:1892ECLI:NL:RVS:2024:2842
AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Beroep tegen voortduren maatregel van bewaring vreemdeling zonder zicht op uitzetting afgewezen
Eiser verblijft sinds 20 oktober 2025 in bewaring op grond van artikel 59 vanPro de Vreemdelingenwet 2000. Hij heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting achterwege gelaten en de stukken bestudeerd.
Eiser stelt dat er geen zicht is op uitzetting naar Algerije, ondanks zijn medewerking en herhaalde pogingen van de minister om contact te leggen met de Algerijnse autoriteiten. De rechtbank oordeelt dat er in algemene zin wel zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn, mede gelet op eerdere uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak en het arrest van het Hof van Justitie van de EU.
De rechtbank toetst ambtshalve de rechtmatigheid van de maatregel en concludeert dat het voortduren van de bewaring niet onrechtmatig is. Ook is niet gebleken dat het beginsel van non-refoulement of het belang van het familie- en gezinsleven zich verzetten tegen verwijdering. Het beroep wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
Verweerder heeft op 30 oktober 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.
Overwegingen
Toetsingskader
Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 11 november 2025 (in de zaak NL25.53404) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek.
Zicht op uitzetting
3. Eiser voert aan dat er geen zicht op uitzetting. Eiser verblijft al sinds 20 oktober 2025 in bewaring. Hij heeft aangegeven te willen meewerken aan zijn vertrek en heeft zelf contact opgenomen met de Internationale Organisatie voor Migratie (IOM). Daarnaast heeft verweerder drie keer gerappelleerd. Desondanks is er nog steeds geen reactie gekomen van de Algerijnse autoriteiten.
4. De rechtbank overweegt dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in zijn algemeenheid niet ontbreekt. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 6 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:1892), 15 juli 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2842) en 27 februari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:722). Er zijn geen
omstandigheden gesteld of gebleken waardoor zicht op uitzetting naar Algerije in zijn algemeenheid nu wel zou ontbreken. Als het gaat om eisers specifieke geval, overweegt de rechtbank dat de lp-aanvraag van 4 november 2025 nog altijd in behandeling is bij de Algerijnse autoriteiten. Eiser heeft geen concrete aanknopingspunten gegeven die tot de conclusie leiden dat voor hem niet binnen een redelijke termijn een lp zal worden afgegeven. De stelling dat eiser inspanningen heeft verricht om te kunnen vertrekken, leidt niet tot een ander oordeel. Eiser verblijft nu ongeveer twee maanden maand in bewaring, terwijl met een lp-traject bij de Algerijnse autoriteiten in het algemeen de nodige tijd (soms meerdere maanden) gemoeid gaat, zeker als een vreemdeling - zoals in het geval van eiser - geen enkel (origineel) document over zijn identiteit en nationaliteit overlegt. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
5. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest.
6. Het Hof heeft in het arrest Adrar van 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647, voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van refoulement zich verzetten tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
verklaart het beroep ongegrond;
wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van F.S. Ulrich, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
22 december 2025
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.