ECLI:NL:RBDHA:2025:26202

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
NL25.61754
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring in het bestuursrechtelijke kader van vreemdelingenrecht

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 30 december 2025 uitspraak gedaan in een procedure over de maatregel van bewaring van een vreemdeling, eiser, die in bewaring is gesteld op 21 september 2025. De maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 23 december 2025 zonder zitting. De rechtbank heeft overwogen dat de maatregel van bewaring eerder is getoetst en rechtmatig is bevonden tot het sluiten van het onderzoek op 16 november 2025. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende voortvarend handelt aan zijn uitzetting en dat er geen zicht op uitzetting is. De rechtbank heeft vastgesteld dat verweerder voldoende voortvarend heeft gehandeld en dat er geen grond is om te concluderen dat zicht op uitzetting ontbreekt. De rechtbank heeft ambtshalve de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring getoetst en geen onrechtmatigheid vastgesteld. Het beroep van eiser is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen. De uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.61754

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. F. Boone),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Procesverloop

Verweerder heeft op 21 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en het onderzoek gesloten op 23 december 2025.

Overwegingen

Inleiding
1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 20 november 2025 (in de zaak NL25.54837) volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek (op 16 november 2025).

Voortvarend handelen

3. Eiser betoogt dat verweerder onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting.
Verweerder heeft (mogelijk) nagelaten om essentiële informatie met de Marokkaanse autoriteiten te delen in het kader van zijn lp-aanvraag. Daartoe voert eiser aan dat uit de voortgangsrapportage niet duidelijk blijkt of een kopie van eisers paspoort en zijn CIN-nummer deel uitmaken van de lp-aanvraag. De Marokkaanse autoriteiten hebben nog steeds geen lp afgegeven, hetgeen wel te verwachten was indien deze deel hadden uitgemaakt van de lp-aanvraag. Eiser verzoekt verweerder dan ook om hier duidelijkheid over te verschaffen en de rechtbank om, indien verweerder dit nalaat, de maatregel van bewaring op te heffen. Verder mocht van verweerder verwacht worden dat hij op zaaksniveau zou rappelleren.
4. Uit de voortgangsrapportage van 17 december 2025 blijkt dat verweerder in de te toetsen periode op 27 november 2025 bij de Marokkaanse autoriteiten heeft gerappelleerd ten aanzien van de openstaande lp-aanvraag. Daarnaast blijkt uit de voortgangsrapportage dat verweerder op 2 december 2025 een vertrekgesprek met eiser heeft gevoerd. Naar het oordeel van de rechtbank handelt verweerder hiermee voldoende voortvarend aan de uitzetting van eiser. De rechtbank ziet geen grond voor het oordeel dat verweerder op zaaksniveau had moeten rappelleren. De stelling dat uit voornoemd rapport niet blijkt dat een kopie van eisers paspoort en zijn CIN-nummer zijn meegezonden met de aanvraag tot de afgifte van een laissez-passer (lp) van 26 september 2025, maakt naar het oordeel van de rechtbank niet dat verweerder heeft nagelaten om essentiële informatie met de Marokkaanse autoriteiten te delen in het kader van deze lp-aanvraag. Naar het oordeel van de rechtbank mag er namelijk van uit worden gegaan dat verweerder alle relevante informatie en documenten die nodig zijn voor de beoordeling van een lp-aanvraag verstrekt aan de autoriteiten van het betreffende land. Daarnaast kan eiser zelf ook in contact treden met verweerder of met de Marokkaanse autoriteiten om te achterhalen of een kopie van zijn paspoort en zijn CIN-nummer deel uitmaken van de lp-aanvraag. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting
5. Eiser betoogt dat zicht op uitzetting ontbreekt. Aangezien eiser is opgenomen in het Marokkaanse registratiesysteem (hij is immers in het bezit geweest van een Marokkaans paspoort) en zijn identiteit dus eenvoudig te achterhalen is, valt niet in te zien waarom de Marokkaanse autoriteiten nog steeds geen lp hebben afgegeven of waarom zij dit op een later moment alsnog zouden doen.
6. De rechtbank stelt voorop dat in zijn algemeenheid kan worden uitgegaan van zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Afdeling van 14 november 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:3269), 8 augustus 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:3033) en 27 januari 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:219).
7. Over het zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Marokko in het concrete geval van eiser, overweegt de rechtbank als volgt. Eiser is op 21 september 2025 in bewaring gesteld en verweerder heeft op 26 september 2025 een lp-aanvraag aan de Marokkaanse autoriteiten verzonden. De stelling van eiser dat hij is opgenomen in het Marokkaanse registratiesysteem en daarom voor hem gemakkelijk een lp zou moeten kunnen worden afgegeven, acht de rechtbank niet voldoende om tot de conclusie te komen dat zicht op uitzetting in zijn geval ontbreekt. Met een lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten gaat in het algemeen de nodige tijd (soms meerdere maanden) gemoeid. De thans verstreken tijd sinds het indienen van de huidige lp-aanvraag is te kort om te oordelen dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn ontbreekt. Dit geldt naar het oordeel van de rechtbank ook indien een kopie van een paspoort en een CIN-nummer deel uitmaken van de lp-aanvraag. Er zijn door eiser verder geen concrete aanknopingspunten aannemelijk gemaakt die erop wijzen dat het lp-traject op niets zal uitlopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
8. De rechtbank overweegt tot slot dat zij, zoals blijkt uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 8 november 2022 (ECLI:EU:C:2022:858), gehouden is ambtshalve de rechtmatigheidsvoorwaarden van de maatregel van bewaring te toetsen. Ook met inachtneming van deze ambtshalve toetsing ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat het voortduren van de maatregel van bewaring in de te toetsen periode op enig moment onrechtmatig is geweest. Daarnaast heeft het Hof in het arrest Adrar van 4 september 2025 (ECLI:EU:C:2025:647) voor recht verklaard dat de bewaringsrechter zo nodig ambtshalve moet nagaan of het beginsel van non-refoulement en/of het belang van het kind en het familie- en gezinsleven, bedoeld in respectievelijk artikel 5, onder a) en b), van richtlijn 2008/115 zich verzetten tegen de verwijdering als de bewaringsmaatregel is opgelegd om de terugkeer van een illegaal verblijvende derdelander voor te bereiden en/of om de verwijderingsprocedure uit te voeren. Het is de rechtbank niet gebleken dat het familie- en gezinsleven van eiser of het beginsel van non-refoulement zich verzet tegen eisers verwijdering.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
10. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.N. Abdoelkadir, rechter, in aanwezigheid van mr. D.M. Abrahams, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.