ECLI:NL:RBDHA:2025:26149
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijke bescherming en oplegging terugkeerbesluit aan derdelander uit Algerije
Eiser, een Algerijnse derdelander die tijdelijk bescherming genoot in Nederland op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming vanwege verblijf in Oekraïne, kreeg op 7 augustus 2025 een terugkeerbesluit opgelegd omdat zijn verblijfsrecht van rechtswege was geëindigd per 4 maart 2024.
Eiser voerde aan dat hij rechtmatig verblijf had vanwege een bevriezingsmaatregel en dat zijn belangen onvoldoende waren meegewogen, waaronder zijn integratie en werk in Nederland. Ook stelde hij dat het besluit in strijd was met artikel 8 EVRM Pro en dat hij niet voldoende was gehoord.
De rechtbank oordeelde dat de tijdelijke bescherming terecht was beëindigd en dat de bevriezingsmaatregel geen rechtmatig verblijf oplevert in de zin van jurisprudentie. De voorlopige voorziening gaf slechts procedureel rechtmatig verblijf tijdens de beroepsprocedure. De rechtbank vond geen ruimte voor een individuele toets aan het evenredigheidsbeginsel bij het van rechtswege eindigen van het verblijfsrecht.
Verder concludeerde de rechtbank dat verweerder eiser voldoende gelegenheid had gegeven zijn zienswijze kenbaar te maken en dat het terugkeerbesluit niet in strijd is met artikel 8 EVRM Pro. Er was ook geen risico op een schending van artikel 3 EVRM Pro bij terugkeer naar Algerije. Het beroep werd ongegrond verklaard en verweerder werd veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep tegen het terugkeerbesluit wordt ongegrond verklaard en het terugkeerbesluit bevestigd.