ECLI:NL:RBDHA:2025:25984

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
5 januari 2026
Zaaknummer
24-3343
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering omgevingsvergunning voor dakkapel in strijd met redelijke eisen van welstand

In deze zaak hebben eisers beroep ingesteld tegen de afwijzing van hun aanvraag voor een omgevingsvergunning voor het bouwen van een dakkapel aan de voorzijde van hun woning. De rechtbank heeft op 18 december 2025 uitspraak gedaan en het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank oordeelde dat het college van burgemeester en wethouders van Den Haag zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de aanvraag in strijd is met redelijke eisen van welstand. Eisers voerden aan dat het college onterecht had geoordeeld dat het bouwplan niet voldeed aan de welstandscriteria, en dat er sprake was van een schending van het gelijkheidsbeginsel. De rechtbank heeft echter geoordeeld dat de dakkapel niet voldeed aan de welstandscriteria, omdat deze in grootte, positie en uitvoering niet overeenkwam met de bestaande dakkapellen in het woonblok. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de belangenafweging van het college deugdelijk was en dat het algemeen belang bij het voldoen aan redelijke eisen van welstand zwaarder woog dan het individuele belang van eisers. Ondanks de ongegrondverklaring van het beroep, heeft de rechtbank eisers wel recht gegeven op schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. De rechtbank heeft de schadevergoeding vastgesteld op € 1000,-, te verdelen tussen het college en de Staat der Nederlanden.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/3343

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] en [eiseres] , uit [woonplaats] , eisers

(gemachtigde: mr. M.J. de Buck-Hartman),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag

(gemachtigde: mr. P. Yildirim),
en

de Staat der Nederlanden (minister van Justitie en Veiligheid), de Staat.

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de weigering van een omgevingsvergunning voor het realiseren van een dakkapel aan de [adres 1] . Eisers zijn het daar niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Eisers vinden dat het college zich onterecht op het standpunt heeft gesteld dat het bouwplan in strijd is met redelijke eisen van welstand. Ook is het bestreden besluit volgens eisers onvoldoende gemotiveerd en in strijd met het gelijkheidsbeginsel. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de beslissing op bezwaar.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht weigeren. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Omdat de bezwaar- en beroepsprocedure te lang hebben geduurd, krijgen eisers wel een schadevergoeding. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eisers hebben op 25 januari 2023 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het plaatsen van een dakkapel aan de voorzijde van hun woning aan de [adres 1] in [plaats] . Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 17 maart 2023 afgewezen. Met het bestreden besluit van 22 maart 2024 op het bezwaar van eisers is het college bij dat besluit gebleven.
2.1.
Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
Het college heeft een verweerschrift ingediend.
2.3.
De rechtbank heeft het beroep op 6 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
3. Eisers hebben een omgevingsvergunning aangevraagd voor ‘het bouwen van een bouwwerk’ als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo), in dit geval het plaatsen van een dakkapel. Het college heeft de aanvraag afgewezen op grond van artikel 2.10, eerste lid, aanhef en onder d van de Wabo. Volgens het college voldoet het bouwplan niet aan redelijke eisen van welstand omdat de dakkapel in grootte, positie en uitvoering niet overeenkomt met de twee andere dakkapellen in hetzelfde woonblok.
3.1.
In het bestreden besluit van 22 maart 2024 is het college hierbij gebleven. Het college heeft daarbij afgeweken van het advies van de Adviescommissie bezwaarschriften (Adviescommissie), waarin is geadviseerd het besluit te herroepen.
3.2.
De Adviescommissie vindt het onverkort vasthouden aan de vorm van een dakkapel die 38 jaar geleden is gerealiseerd geen recht doet aan de ontwikkelingsgedachte die eveneens is ingebed in de Welstandsnota. De wens van eisers om hun woning toekomstbestendig te maken en meer gebruiksruimte te realiseren is een redelijk belang. De Adviescommissie mist een belangenafweging hieromtrent. Ook is de Adviescommissie van mening dat de Welstandsnota ruimte laat voor een grotere of bredere dakkapel, mits die qua (bovenste) horizontale lijn aansluit op de al bestaande dakkapellen.
3.3.
Het college stelt zich op het standpunt dat de Welstandsnota ruimte laat voor verandering, maar dat voor bouwwerken het aansluiten bij de omgeving nog steeds leidend is, en dat de Welstandsnota duidelijk spreekt van zowel een horizontale lijn aan de bovenkant als een horizontale lijn aan de onderkant van de dakkapellen. Volgens het college weegt het algemeen belang dat een bouwwerk voldoet aan redelijke eisen van welstand zwaarder dan het individuele belang van eisers bij vergroting van hun woning.
Overgangsrecht Omgevingswet
4. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Als een aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet, dan blijft op grond van artikel 4.3, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit op die aanvraag onherroepelijk wordt, met uitzondering van artikel 3.9, derde lid, eerste zin, van de Wabo.
4.1.
De aanvraag om een omgevingsvergunning is ingediend op 1 september 2022. Dat betekent dat in dit geval de Wabo, zoals die gold vóór 1 januari 2024, van toepassing blijft.
Toetsingskader
5. Ingevolge artikel 2.1, eerste lid, onder a, van de Wabo is het verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit het bouwen van een bouwwerk.
5.1.
Ingevolge artikel 2.10, eerste lid, van de Wabo wordt een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk geweigerd, in geval van, kort gezegd, (a) strijd met het Bouwbesluit 2012, (b) strijd met de bouwverordening, (c) strijd met het bestemmingsplan of (d) strijd met redelijke eisen van welstand.
5.2.
Ingevolge artikel 6.2, eerste lid, van het Besluit omgevingsrecht (Bor) vragen burgemeester en wethouders, ingeval zij dat noodzakelijk achten bij de beoordeling of een activiteit in de zin van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wabo in strijd is met redelijke eisen van welstand, advies aan de welstandscommissie.
5.3.
Ingevolge artikel 12a van de Woningwet wordt bij de beoordeling of een bouwwerk aan redelijke eisen van welstand voldoet een door de gemeenteraad vastgestelde welstandsnota toegepast. De Welstandsnota Den Haag 2017 is in dit geval van toepassing (de Welstandsnota).
5.4.
Ingevolge paragraaf 2.2.2. van de Welstandsnota volgt een te plaatsen dakkapel in hoofdvorm en positionering (bestaande) dakkapellen op hetzelfde dakschild. De nota licht dit als volgt toe:

Door uitlijning van een dakkapel met (bestaande) dakkapellen op hetzelfde dakschild, d.w.z. op een gelijke hoogte in het dakschild en met een gelijke hoogte van het venster en de dakrand, ontstaat een doorgaande horizontale lijn in het straatbeeld, die de eenheid van de architectuur benadrukt.”
5.5.
Ingevolge diezelfde paragraaf van de Welstandsnota vertoont een dakkapel samenhang met de architectuur van de onderliggende gevel. De nota licht dit als volgt toe:

Het uiterlijk van een nieuwe of vervangende dakkapel (de vormgeving, de materialen, de detaillering en de kleurstelling) moet passen in de architectuur en de architectuurstijl van het onderliggende gebouw. Hierbij spelen de grootte van de dakkapel, de indeling van het venster en het uiterlijk van de zijwangen en de dakrand een belangrijke rol.”
Voldoet het bouwplan aan redelijke eisen van welstand?
6. Eisers betogen dat het bouwplan niet in strijd is met redelijke eisen van welstand. Zoals de Adviescommissie beaamt biedt de Welstandsnota ruimte voor grotere/bredere dakkapellen in hetzelfde dakschild. De Adviescommissie stelt volgens eisers terecht dat volgens de Welstandsnota de bovenste horizontale lijn bepalend is voor het vaststellen of de dakkapel de positionering van andere dakkapellen op hetzelfde dakschild volgt. Omdat het bouwplan voor de dakkapel nagenoeg de bovenste hoogtelijn van de bestaande dakkapellen volgt, voldoet het bouwplan aan de normen uit de Welstandsnota, aldus eisers. Verder voeren eisers aan dat de Welstandsnota niet zo streng geïnterpreteerd moet worden dat er niet van de 38 jaar oude dakkapellen in hetzelfde dakschild mag worden afgeweken. Ook hier verwijzen zij naar het advies van de Adviescommissie. De interpretatie van het college zou namelijk betekenen dat geen andere dakkapel gebouwd mag worden dan de dakkapellen die bij de bouw van de woningen zijn gerealiseerd. Het bovenstaande klemt te meer nu het college zelf een welstandstoets heeft uitgevoerd, zonder het bouwplan voor te leggen aan de welstandscommissie, aldus eisers.
6.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat het bouwplan van de dakkapel niet voldoet aan redelijke eisen van welstand. Hierbij is de samenhang van het bouwplan met zijn omgeving van belang. Het college betoogt dat de eerste wijziging een rol speelt bij latere vergunningaanvragen ter voorkoming van wildgroei. Het college interpreteert de Welstandsnota zo dat zowel de onder- als bovenkant van de dakkapel op een horizontale lijn moet liggen met andere dakkapellen op hetzelfde dakschild. Het bouwplan zorgt echter voor een hoogteverschil, met name tussen de vensters van de dakkapellen. Ook de voorgestelde kleur van de kozijnen, crèmewit, sluit niet aan bij de rest van het bouwblok. Hieruit concludeert het college dat het bouwplan niet voldoet aan de Welstandsnota.
6.2.
De rechtbank zal eerst beoordelen of het college heeft kunnen volstaan met een welstandsbeoordeling zonder het bouwplan voor te leggen aan de welstandscommissie. Artikel 6.2, eerste lid, van het Bor biedt het college de mogelijkheid om de welstandscommissie om advies te vragen, wanneer het college dit noodzakelijk acht. Dit is echter geen verplichting. Het is aan het college om te bepalen in welke gevallen het een advies van de welstandscommissie noodzakelijk acht. Het college heeft ter zitting toegelicht dat de welstandscommissie wordt ingeschakeld op het moment dat er nog geen vergelijkbaar bouwwerk op het betreffende dakschild aanwezig is. Die situatie doet zich hier niet voor. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college bij de welstandstoets dan ook mogen volstaan met een ambtelijke beoordeling, zonder de welstandscommissie om advies te vragen.
6.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat het college zich op het standpunt mocht stellen dat het bouwplan niet in overeenstemming is met redelijke eisen van welstand. Volgens de Welstandsnota volgt een te plaatsen dakkapel in hoofdvorm en positionering dakkapellen op hetzelfde dakschild. Het bouwplan rijmt op dit punt niet met de Welstandsnota, nu de door eisers gewenste dakkapel in hoogte en omvang afwijkt van de bestaande dakkapellen in het dakschild. Ook wordt niet voldaan aan het welstandscriterium dat het uiterlijk van de nieuwe dakkapel moet passen in de architectuur van het onderliggende gebouw, omdat de kleurstelling afwijkt. Voor zover eisers betogen dat de Welstandsnota niet zo streng geïnterpreteerd kan worden, dat vastgehouden moet worden aan een reeds bij de bouw gerealiseerde dakkapel, overweegt de rechtbank dat de Welstandsnota juist uitdrukkelijk bepaalt dat een nieuwe dakkapel in hoofdvorm en positionering de bestaande dakkapellen op hetzelfde dakschild moet volgen.
6.4.
De beroepsgrond slaagt niet.
Is de weigering in strijd met het gelijkheidsbeginsel?
7. Eisers betogen dat het weigeren van de vergunning in strijd is met het gelijkheidsbeginsel, omdat soortgelijke woningen in de wijk ook grotere en bredere dakkapellen hebben. Eisers wijzen in dit kader op de dakkapellen die zijn gerealiseerd aan de [adres 2] , [adres 3] , [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] . Deze woningen bevinden zich allemaal in de wijk [wijk] en vallen onder hetzelfde bestemmingsplan. Dat deze woningen zich in dezelfde straat bevinden als eisers, onder hetzelfde bestemmingsplan vallen en in kleur en horizontale uitlijning niet op elkaar zijn afgestemd maakt volgens eisers dat de afwijzing van de vergunning onredelijk is. Het welstandsbeleid wordt niet consistent toegepast, waardoor sprake is van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Ter onderbouwing verwijzen eisers naar een uitspraak van deze Rechtbank. [1]
7.1.
Het college stelt zich op het standpunt dat de dakkapellen van de woningen aan de Architect Berlagelaan die eisers noemen zich in een andere architectuureenheid bevinden. Het bouwplan wordt bij de welstandstoets in de context van reeds bestaande dakkapellen van een blok geplaatst en niet in de context van een wijk, mede gelet op de architectonische verschillen tussen de dakschilden. Zo hebben de woningen op [adres 2] en [adres 3] door de lager aflopende dakschilden een wezenlijk andere architectuur dan de woning op [adres 1] . Het college stelt zich verder op het standpunt dat op de adressen die eisers noemen bij het verlenen van de vergunningen voor de dakkapellen hetzelfde toetsingskader is gehanteerd als in dit geval. Zo is volgens het college bij het verlenen van vergunningen voor de dakkapellen op [adres 4] en [adres 6] rekening gehouden met een overeenstemmende positie en grootte met andere dakkapellen. Voor de dakkapellen op nummers [adres 2] en [adres 5] is geen vergunning verleend. Daarom is bij het verlenen van de vergunning voor de dakkapel op nummer [adres 3] niet gekeken naar de dakkapel op nummer [adres 2] . Het college concludeert op basis van deze gevallen dat er geen sprake is van inconsistent beleid.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel in dit geval niet slaagt. Eiseres benoemt weliswaar gelijke gevallen, omdat de dakkapellen dezelfde soort bouwwerken zijn, waarop dezelfde Welstandsnota van toepassing is, maar het bouwplan van eiseres is ten opzichte van die dakkapellen niet ongelijk behandeld. Het college heeft aan de hand van verleende vergunningen in de wijk deugdelijk gemotiveerd dat het college bij de welstandstoets voor dakkapellen consistent aansluit bij de hoofdvorm en positionering van de andere vergunde dakkapellen in hetzelfde dakschild. Voor zover eisers betogen dat het college rekening had moeten houden met de grootte van dakkapellen elders in de wijk, overweegt de rechtbank dat de beoogde dakkapel op de woning van eisers is voorzien op een ander dakschild, en de aanwezigheid van grotere dakkapellen in de buurt op zichzelf niet betekent dat sprake is van ongelijke behandeling. Naar het oordeel van de rechtbank is de weigering dan ook niet in strijd met het gelijkheidsbeginsel.
7.3.
De beroepsgrond slaagt niet.
Is sprake van onevenwichtige belangenafweging van het college?
8. Eisers betogen dat het college onvoldoende is ingegaan op de individuele omstandigheden van eisers, die volgens vaste rechtspraak een uitzondering kunnen vormen op het afwijzen van een omgevingsvergunning vanwege strijdigheid met redelijke eisen van welstand. [2] De individuele omstandigheden zijn in dit geval het vergroten van het wooncomfort voor het gezin en het toekomstbestendig maken van de woning. Eisers geven hierbij aan extra woonruimte nodig te hebben voor hun zoon. Bovendien vermeerdert de waarde van de woning na het realiseren van de dakkapel.
8.1.
De rechtbank is van oordeel dat de door het college gemaakte belangenafweging in het bestreden besluit deugdelijk is gemotiveerd. Daarbij heeft het college mogen betrekken dat eisers in beginsel de mogelijkheid hebben om aan de achterzijde vergunningvrij een uitbouw te realiseren, zodat zij op andere wijze hun woning kunnen vergroten, zonder afbreuk te doen aan de welstand. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het college in redelijkheid tot de conclusie mogen komen dat het algemeen belang bij het voldoen aan redelijke eisen van welstand in dit geval zwaarder weegt dan het individuele belang van eisers om de woning te vergroten.
Hebben eisers recht op een schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn?
9. Eisers hebben verzocht om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
9.1.
De vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij spelen in ieder geval de volgende factoren een rol: de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van eisers gedurende de hele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van eisers. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de bezwaarfase onredelijk lang heeft geduurd als deze langer dan een half jaar heeft geduurd en de fase bij de rechtbank onredelijk lang heeft geduurd als deze langer dan anderhalf jaar heeft geduurd. [3]
9.2.
Het college stelt zich op het standpunt dat eisers geen recht hebben op een schadevergoeding. Eisers hebben namelijk op 11 juli 2023 het college per e-mail verzocht om uitstel van de hoorzitting, die oorspronkelijk op 1 augustus 2023 was gepland. Het college heeft ingestemd met dit verzoek en de hoorzitting verplaatst naar 3 oktober 2023.
9.3.
De rechtbank ziet noch in de zaak zelf noch in de opstelling van eisers aanleiding voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan twee jaar zou mogen bedragen. Het eenmalige verzoek van eisers om de (in de zomervakantie geplande) hoorzitting te verplaatsen, waardoor die twee manden later plaatsvond, is daarvoor onvoldoende. Op 24 april 2023 heeft het college het bezwaarschrift van eisers ontvangen. Nu de rechtbank heden uitspraak doet, is de redelijke termijn met in totaal acht maanden overschreden. De schadevergoeding bedraagt € 500,- per overschrijding van een half jaar, naar boven afgerond. Eisers hebben daarom recht op een schadevergoeding van € 1000,-.
9.4.
Het college heeft na de ontvangst van het bezwaarschrift op 22 maart 2024 een beslissing op bezwaar genomen. Dit heeft (afgerond naar boven) elf maanden geduurd, dus vijf maanden te lang. De rechtbank heeft het beroepschrift op 24 mei 2024 ontvangen en heden uitspraak gedaan. Dit heeft één jaar en,(afgerond naar boven) zeven maanden geduurd, dus één maand te lang. Dat betekent dat de redelijke termijn zowel in de bezwaar- als in de beroepsfase is overschreden. Het bedrag zal daarom naar evenredigheid worden toegerekend aan het college en de Staat. De rechtbank zal het college veroordelen tot betaling van een bedrag van € 833,33 (5/6 x € 1000,-) en de Staat tot betaling van een bedrag van € 166,67 (1/6 x € 1000,-).

Conclusie en gevolgen

10. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. Eisers krijgen daarom het griffierecht niet terug.
11. De rechtbank wijst wel de verzoeken om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn toe. De rechtbank zal het college veroordelen tot betaling van een schadevergoeding van € 833,33 en de Staat der Nederlanden tot betaling van een schadevergoeding van € 166,67 aan eisers.
11.1.
Omdat het college en de Staat worden veroordeeld tot betaling van een schadevergoeding, worden zij ook veroordeeld in de proceskosten die zien op het verzoek om schadevergoeding in verband met de overschrijding van de redelijke termijn. Deze proceskosten worden begroot op € 226,75 (1 punt voor het indienen van het verzoek om vergoeding van schade, met een waarde van € 907,- en een wegingsfactor 0,25). Dit bedrag zal naar evenredigheid worden toegerekend aan het college en de Staat. Dat betekent dat de Staat een bedrag van € 37,79 dient te vergoeden. Het college dient een bedrag van € 188,96 te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt het college tot betaling aan eisers van een schadevergoeding van € 833,33;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 188,96;
  • veroordeelt de Staat tot betaling aan eisers van een schadevergoeding van € 166,67;
  • veroordeelt de Staat der Nederlanden (ministerie van Justitie en Veiligheid) in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 37,79.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.J. van der Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. H. Raben, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025.
griffier
De rechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Uitspraak van de rechtbank Den Haag van 16 februari 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:2408.
2.Eisers verwijzen naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 januari 2014, ECLI:RVS:2014:123.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 22 februari 2023, ECLI:NL:RVS:2023:723.