ECLI:NL:RBDHA:2025:25613

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
NL25.32823
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag van een staatloze Palestijn uit Libanon wegens kennelijke ongegrondheid en onvoldoende onderbouwing van asielmotieven

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 17 december 2025 uitspraak gedaan in een asielprocedure van een staatloze Palestijn afkomstig uit Libanon. De eiser had op 14 februari 2023 een asielaanvraag ingediend, die op 11 juli 2025 door de minister van Asiel en Migratie als kennelijk ongegrond werd afgewezen. De rechtbank heeft de zaak behandeld, waarbij de eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk aanwezig was. De rechtbank oordeelde dat de minister terecht had geoordeeld dat de asielmotieven van de eiser niet geloofwaardig waren. De eiser had verklaard dat hij in Libanon was gevlucht vanwege een schietincident met een kennis, maar de rechtbank vond zijn verklaringen inconsistent en onvoldoende onderbouwd. De rechtbank concludeerde dat de eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij bij terugkeer naar Libanon een reëel risico op ernstige schade zou lopen. De rechtbank heeft de afwijzing van de asielaanvraag door de minister bevestigd en het beroep van de eiser ongegrond verklaard. Tevens werd er geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.32823

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. E.G. Grigorjan),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. N.F. van der Gouw).

Procesverloop

Bij besluit van 11 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e en h, van de Vw als kennelijk ongegrond afgewezen.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep, samen met de zaak NL25.32924, op 4 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Z. Hanina. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser stelt een staatloze Palestijn afkomstig uit Libanon te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1982. Op 14 februari 2023 heeft eiser zijn asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag – samengevat weergeven – het volgende ten grondslag gelegd. Eiser heeft Libanon in 2018 verlaten en is naar Cyprus vertrokken om op zoek te gaan naar een waardig leven. In Cyprus heeft hij asiel aangevraagd. In 2019 is hij tijdelijk teruggekeerd naar Libanon om voor zijn moeder te zorgen. Tijdens dit verblijf is hij in conflict geraakt met een kennis ( [persoon A] ). Hierbij heeft eiser geschoten. Vanwege dit conflict is eiser gevlucht. Nadien is er een arrestatiebevel tegen eiser uitgebracht, waarin hij wordt beschuldigd van wapenbezit en het vermeende schietincident. Eiser vreest bij terugkeer naar Libanon dat hij wordt opgepakt door de Palestijnse autoriteiten. Ook vreest hij voor [persoon A] en de Hezbollaz waar [persoon A] lid van is.
Het bestreden besluit
3.1.
Het asielrelaas bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
problemen vanwege de schietpartij.
3.2.
Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De problemen vanwege de schietpartij heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. Verweerder heeft hiertoe overwogen dat eiser geen oprechte inspanningen heeft geleverd om zijn asielaanvraag te onderbouwen en daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a, van de Vw). Verder heeft verweerder tegengeworpen dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw), dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw) en dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig wordt beschouwd (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw).
3.3.
Verweerder heeft eiser op grond van het geloofwaardig geachte eerste asielmotief niet aangemerkt als vluchteling in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Eiser heeft volgens verweerder ook niet aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer naar Libanon een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
3.4.
Omdat de verklaringen van eiser zijn beoordeeld als kennelijk inconsequent en tegenstrijdig en omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was, heeft verweerder onder verwijzing naar artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e en h, van de Vw de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Beoordeling door de rechtbank
Staatloosheid
4.1.
Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte zijn nationaliteit als onbekend heeft geregistreerd. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij voldoende documenten heeft overgelegd om aangemerkt te worden als staatloos. Hoewel erop staat dat het een kopie is, is de UNRWA-registratiekaart wel door de UNWRA uitgegeven.
4.2.
Verweerder dient op grond van werkinstructie 2020/19 aan de hand van documenten te beoordelen of een vreemdeling in het kader van zijn asielprocedure kan worden aangemerkt als staatloos. Palestijnen uit Libanon moeten ten minste één origineel document overleggen uit de volgende documentgroepen:
Een Libanees reisdocument voor Palestijnen (op voorwaarde dat de vreemdeling ook een identiteitskaart heeft) of een Libanese identiteitskaart voor Palestijnen (blauw pasje);
Een Libanese geboorteakte;
UNRWA-documenten, bijvoorbeeld een UNRWA-familiekaart, afgegeven door UNRWA Libanon, dan wel een registratie bij het Department of Political and Refugee Affairs (DPRA). Hierbij worden geaccepteerd: de originele registratiekaart, de oude originele registratiekaart, een origineel certificaat en een gestempelde print. Niet geaccepteerd wordt een kopie.
4.3.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser uit de eerste twee documentgroepen de gevraagde documenten heeft overgelegd. Uit de derde documentgroep heeft eiser zijn UNRWA-registratiekaart overgelegd. Verweerder heeft deze kaart laten onderzoeken door Bureau Documenten en die heeft geconcludeerd dat de kaart niet op echtheid onderzocht kan worden, omdat het een kopie betreft. Dit staat ook rechtsonder op de UNRWA-registratiekaart in het dossier. Het origineel blijft volgens eiser bij het hoofd van het gezin achter als bewijs voor de registratie. In de werkinstructie staat echter, zoals hierboven geciteerd, expliciet dat een kopie niet wordt geaccepteerd. Verweerder kon daarom naar het oordeel van de rechtbank tot de conclusie komen dat eiser geen origineel document uit de derde documentgroep heeft overgelegd en om die reden in deze procedure is uitgegaan van de registratie ‘nationaliteit onbekend’. De beroepsgrond slaagt niet.
Referentiekader
5.1.
Eiser voert aan dat verweerder in de beoordeling van zijn asielaanvraag onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Verweerder is gelet op zijn referentiekader ten onrechte zeer streng ten aanzien van het noemen van data en ten aanzien van de relatie die hij legt tussen de gebeurtenissen en wie hem hebben benaderd dan wel voor wie hij concreet bang is. Gezien zijn medische klachten vindt eiser het van belang dat er nader onderzoek wordt verricht naar zijn vermogen om consistent te verklaren.
5.2.
In alle individuele asielzaken moet verweerder een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling verrichten, waarbij hij rekening houdt met de persoonlijke omstandigheden, achtergrond en leeftijd van de vreemdeling. Dit volgt onder meer uit de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 15 juli 2016, ECLI:NL:RVS:2016:2073, onder 1.1 en werkinstructie 2024/6, waarin staat dat verweerder – voor zover relevant – kenbaar rekening moet houden met het referentiekader tijdens de geloofwaardigheidsbeoordeling.
5.3.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de beoordeling van eisers asielaanvraag voldoende kenbaar rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Verweerder heeft in het bestreden besluit gesteld dat ook binnen zijn referentiekader verweerder van eiser mag verwachten dat hij kan vertellen wat er gebeurde tijdens de schietpartij. Het blijft immers aan eiser om zijn asielrelaas aannemelijk te maken. Voor zover eiser meent dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn medische beperkingen waardoor hij niet in staat is om exacte data te noemen, overweegt de rechtbank dat verweerder in de beoordeling van het asielrelaas ook niet aan eiser heeft tegengeworpen dat hij geen exacte data kon benoemen. Ook in zoverre heeft verweerder daarmee rekening gehouden. De beroepsgrond slaagt niet.
Geloofwaardigheidsbeoordeling problemen vanwege de schietpartij
6.1.
Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte de problemen vanwege de schietpartij, het tweede asielmotief, niet geloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft ten onrechte tegengeworpen dat eiser vaag en wisselend heeft verklaard over de aanleiding voor de schietpartij, de schietpartij zelf, de gevolgen van de schietpartij en voor wie hij vreest. Verweerder had hierbij de correcties en aanvullingen op het nader gehoor moeten betrekken, en in het bijzonder dat eiser vreest voor Hezbollah.
6.2.
In het bestreden besluit heeft verweerder zich, naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte, op het standpunt gesteld dat de stelling dat [persoon A] lid is van Hezbollah en machtige connecties heeft niet bij de beoordeling van de asielaanvraag hoefde te worden betrokken. Eiser heeft dit - zonder nadere toelichting of onderbouwing - voor het eerst in de correcties en aanvullingen naar voren gebracht. Eiser stelt terecht dat het niet de taak van de advocaat maar van verweerder is om eiser te horen, maar verweerder moet dat doen aan de hand van de aanknopingspunten die eiser daartoe aandraagt. Eisers verklaringen tijdens het nader gehoor over [persoon A] , onder meer dat hij groente verkocht in het vluchtelingenkamp waar ook eiser verbleef, hoefden verweerder geen aanleiding te geven daarop door te vragen. De rechtbank ziet ook geen aanleiding voor het oordeel dat de gehoormedewerker tijdens het nader gehoor had moeten doorvragen toen eiser op de vraag door wie hij wordt gezocht antwoordde dat hij wordt gezocht door de regering en de partij. Verweerder heeft een vervolgvraag gesteld, namelijk ‘Door het arrestatiebevel vanwege de schietpartij?’, waarop eiser heeft geantwoord: ‘Ja dat klopt. Als er iets anders inmiddels bij is dan weet ik dat ook niet’ (pagina 17 nader gehoor). Ook uit het verloop van het gehoor tot dan toe had de gehoormedewerker niet kunnen of hoeven opmaken dat eiser hier doelde op Hezbollah omdat [persoon A] lid was van Hezbollah. Op geen enkel moment tijdens het nader gehoor heeft eiser iets in die richting verklaard, terwijl hij uitgebreid is gehoord. Het had op de weg van eiser gelegen om hier in de correcties en aanvullingen of in de zienswijze meer over te verklaren dan enkel dat [persoon A] banden heeft met Hezbollah, dat Hezbollah hem vals beschuldigd heeft van het schieten op [persoon A] en dat eiser daarom bij terugkeer naar Libanon niet alleen vreest voor [persoon A] maar ook voor Hezbollah. Ook in deze beroepsprocedure heeft eiser het gestelde lidmaatschap van [persoon A] niet nader onderbouwd, noch dat Hezbollah hem vals beschuldigd heeft van het schieten op [persoon A] .
6.3.
De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser met zijn verklaringen zijn problemen vanwege de schietpartij niet aannemelijk heeft gemaakt. Hierbij heeft verweerder onder meer kunnen betrekken dat eisers verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw).
6.4.
Verweerder heeft eiser in dit kader allereerst kunnen tegenwerpen dat hij wisselend heeft verklaard over de reden van zijn asielaanvraag. In het verhoor bij de vreemdelingenpolitie van 14 februari 2023 heeft eiser verklaard dat hij problemen had met grote politieke partijen. In het nader gehoor van 28 februari 2025 heeft eiser verklaard dat hij Libanon heeft verlaten om een waardiger bestaan te krijgen voor zichzelf en zijn kinderen. Later in het nader gehoor heeft eiser verklaard over de problemen met [persoon A] vanwege het schietincident en het arrestatiebevel dat nadien tegen hem is uitgevaardigd. Verweerder heeft terecht deze verklaringen tegenstrijdig geacht. In de correcties en aanvullingen heeft eiser weliswaar verklaard dat [persoon A] lid was van Hezbollah en dat Hezbollah de grote politieke partij is waar eiser op doelde in het verhoor bij de vreemdelingenpolitie, maar verweerder heeft dit niet ten onrechte niet bij de asielbeoordeling betrokken. De rechtbank verwijst hiervoor naar hetgeen onder 6.2 is overwogen.
6.5.
Verder heeft verweerder eiser kunnen tegenwerpen dat hij vaag en wisselend heeft verklaard over de schietpartij zelf. In het vrije asielrelaas heeft eiser verklaard dat hij problemen had omdat hij op iemand ( [persoon A] ) heeft geschoten en dat hij daarna is gevlucht (pagina 8 nader gehoor). Hij heeft op hem geschoten omdat [persoon A] de goede eer aantastte van een kennis, [persoon A] ex-vriendin, die voor eisers moeder zorgde (pagina 9 nader gehoor). Er was sprake van ruzie en van het een kwam het ander. Eiser en [persoon A] hebben allebei hun wapen getrokken en op elkaar geschoten. Desgevraagd heeft eiser verklaard dat hij [persoon A] riep en hem aansprak op wat hij deed, hem vrijwel meteen sloeg en dat dat leidde tot een schietpartij, waarbij eiser als eerste zijn wapen pakte. Omdat er zoveel mensen waren heeft hij in de grond geschoten. Daarna heeft [persoon A] in de lucht geschoten en hebben mensen de ruzie gesust (pagina 13 nader gehoor). In de correcties en aanvullingen van 3 maart 2025 en in de zienswijze heeft eiser verklaard dat hij [persoon A] had geroepen om te praten over de beschuldigen die [persoon A] had geuit over zijn ex-vriendin (eiser zou gemeenschap met haar hebben gehad), dat [persoon A] vervolgens met een groep jongens naar hem toe kwam en hem agressief bejegende. Er werd over en weer geduwd en toen eiser door [persoon A] werd geslagen, zag eiser geen andere uitweg dan naar zijn wapen te grijpen. [persoon A] en een paar van de jongens hadden toen ook al een wapen op hem gericht. Uit zelfverdediging heeft eiser op een grond geschoten. Door de wisselende verklaringen blijft onduidelijk wie het gevecht is begonnen, waarop eiser heeft geschoten en waarom, en wat de precieze aanleiding was. Verweerder heeft niet ten onrechte de verklaringen over de aanleiding van de schietpartij en de schietpartij zelf daarom wisselend en vaag geacht.
6.6.
Verder heeft verweerder aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij wisselend en vaag heeft verklaard over de gevolgen van de schietpartij. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gezocht wordt vanwege het schietincident. Eiser heeft geen documenten overgelegd om het incident te onderbouwen, terwijl hij wel heeft verklaard hieraan te kunnen komen als hij een advocaat zou inschakelen. Ook de enkele verklaring dat hij van vrienden die bij de autoriteiten werken heeft gehoord dat hij wordt gezocht, heeft verweerder hiertoe onvoldoende kunnen achten.
6.7.
Tot slot heeft verweerder aan eiser kunnen tegenwerpen dat hij wisselend heeft verklaard over voor wie hij vreest bij terugkeer. In eerste instantie heeft eiser duidelijk verklaard dat hij vreest voor de Libanese autoriteiten vanwege de schietpartij. Later heeft eiser verklaard dat hij ook vreest voor [persoon A] en Hezbollah, omdat [persoon A] daar lid van zou zijn.
6.8.
Gelet op hetgeen onder 6.2 tot en met 6.7 is overwogen heeft verweerder niet ten onrechte de problemen vanwege de schietpartij niet geloofwaardig geacht. De tegenwerpingen dat eiser geen oprechte inspanningen heeft geleverd om zijn asielaanvraag te onderbouwen en daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder a, van de Vw), dat eiser zijn asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder d, van de Vw) en dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig wordt beschouwd (artikel 31, zesde lid, aanhef en onder e, van de Vw) behoeven in dit kader daarom verder geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.
Reëel risico op ernstige schade
7.1.
Eiser voert – onder verwijzing naar het arrest Ararat – aan dat hij bij terugkeer naar Libanon een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder had daarom geen terugkeerbesluit kunnen opleggen.
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft overwogen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Libanon een reëel risico loopt op ernstige schade. De enkele verwijzing naar de algemene veiligheidssituatie in Libanon is daartoe onvoldoende. Voor zover eiser verwijst naar de problemen als gevolg van de schietpartij, heeft de rechtbank al overwogen dat verweerder dit asielmotief ongeloofwaardig kon achten. Omdat de vraag of eiser de bescherming kan inroepen van de autoriteiten alleen relevant is als eiser een reëel risico loopt op ernstige schade, hoeft deze vraag niet beantwoord te worden. Als eiser meent dat hij op grond van zijn medische situatie een reëel risico loopt op ernstige schade, kan eiser daartoe een beroep doen op artikel 64 van de Vw.
7.3.
Gelet op hetgeen onder 7.2 is overwogen was verweerder gehouden om een terugkeerbesluit op te leggen. Verweerder heeft een actuele beoordeling gemaakt van het risico dat eiser eventueel zou lopen bij terugkeer naar Libanon. Eiser heeft sindsdien geen nieuwe informatie overgelegd die een nieuwe beoordeling van verweerder verlangen. Een beroep op het arrest Ararat kan eiser dan ook niet baten. De beroepsgrond slaagt niet.
Afdoening als kennelijk ongegrond
8.1.
Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte aan hem tegenwerpt dat zijn verklaringen kennelijk inconsequent en tegenstrijdig zijn (artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e van de Vw) en dat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was (artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h van de Vw). Zijn asielaanvraag had daarom niet als kennelijk ongegrond afgedaan kunnen worden.
8.2
Een asielaanvraag kan worden afgewezen als kennelijk ongegrond als de vreemdeling kennelijk inconsequente en tegenstrijdige, kennelijk valse of duidelijk onwaarschijnlijke verklaringen heeft afgelegd die strijdig zijn met voldoende geverifieerde informatie over het land van herkomst, waardoor zijn verklaringen alle overtuigingskracht wordt ontnomen met betrekking tot de vraag of hij in aanmerking komt voor verlening van een verblijfsvergunning asiel (artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder deugdelijk gemotiveerd dat de verklaringen van eiser heeft afgelegd kennelijk inconsequent en tegenstrijdig zijn. Verweerder kon hiervoor verwijzen naar de vele wisselende verklaringen over eisers asielrelaas. Ze rechtbank verwijst hiervoor ook naar overwegingen 6.4 tot en met 6.7 van deze uitspraak.
8.3
Ook kan een asielaanvraag als kennelijk ongegrond worden afgewezen als de vreemdeling Nederland onrechtmatig is binnengekomen of zijn verblijf op onrechtmatige wijze heeft verlengd en zich, gezien de omstandigheden van zijn binnenkomst, zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen heeft aangemeld, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij internationale bescherming wenst (artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw).
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank ook deugdelijk gemotiveerd dat eiser niet tijdig, dat wil zeggen binnen 48 uur, zijn asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft terecht gesteld dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over de datum van zijn aankomst in Nederland. Tijdens het aanmeldgehoor ten tijde van de Dublinprocedure (21 februari 2023) heeft eiser verklaard dat hij op dat moment zo’n vijftien dagen in Nederland was. In het nader gehoor van 28 februari 2025, ruim twee jaar later, heeft eiser verklaard dat hij op 14 februari 2023 in Nederland aangekomen is. Verweerder heeft niet ten onrechte meer waarde gehecht aan eisers verklaring tijdens het aanmeldgehoor van 21 februari 2023, omdat de aankomst en aanmelding toen recent waren. Ook als eiser slecht is met data, zoals uit het medisch rapport zou blijken, dan betekent dat niet dat eiser geen inschatting kon maken of hij één of twee weken geleden in Nederland was aangekomen.
8.5.
Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet ten onrechte artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder e en h, van de Vw tegengeworpen. Op basis daarvan heeft verweerder de asielaanvraag terecht als kennelijk ongegrond afgedaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing artikel 8 van het EVRM
9.1.
Eiser doet een beroep op artikel 8 van het EVRM (familie- en privéleven). Hij voert daartoe aan dat hij ongeveer één jaar een (duurzame) relatie heeft. Ter onderbouwing heeft eiser een verklaring van zijn gestelde vriendin en een aantal foto’s overgelegd. Eiser verzoekt verweerder om deze omstandigheid, gelet op de ex-nunc toetsing, alsnog ambtshalve bij het besluit te betrekken.
9.2.
Ter zitting heeft verweerder zich, naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte, op het standpunt gesteld dat de relatie van eiser en zijn gestelde vriendin niet gekwalificeerd kan worden als een duurzame en exclusieve relatie zoals bedoeld in artikel 3.14, eerste lid, aanhef en onder b van het Vreemdelingenbesluit 2000. Enkel de overgelegde verklaring en de foto’s zijn onvoldoende om aan te nemen dat er sprake is van een aan een huwelijk gelijk te stellen relatie. Daarbij weegt mee dat zij niet samenwonen en dat de relatie nog niet zo lang duurt. Dat de gestelde vriendin uit liefde voor eiser zorgt en dat zij gezamenlijk het huishouden doen, zoals eiser ter zitting heeft verklaard, is onvoldoende om de hoge drempel van artikel 8 van het EVRM te halen. De beroepsgrond slaagt niet.
Dwangsom beroep niet-tijdig beslissen
10.1.
Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte geen rechterlijke dwangsom heeft uitbetaald. Deze rechtbank, zittingsplaats Middelburg, heeft twee uitspraken gedaan op de door eiser ingestelde beroepen tegen het niet-tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. In beide uitspraken heeft de rechtbank verweerder opgedragen binnen een nadere, maar verschillende, beslistermijn alsnog een besluit te nemen, en heeft bepaald dat verweerder een dwangsom verbeurt voor elke dag dat verweerder de nadere beslistermijn overschrijdt. Beide uitspraken staan in rechte vast. Eiser meent dat verweerder ten onrechte is uitgegaan van de eerste uitspraak van de rechtbank op het beroep niet-tijdig beslissen.
10.2.
Voor het vaststellen van de verschuldigdheid en hoogte van een op grond van
eerdere uitspraken verbeurde dwangsom moet eiser zich tot de burgerlijke rechter wenden
(zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 11 augustus 2023,
ECLI:NL:RVS:2023:3083 en van 29 april 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1152). De rechtbank is kennelijk onbevoegd om kennis te nemen van het beroep op dit punt. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie
11. Het beroep is ongegrond.
12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van mr. J.B.C. Hoeksel, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.