ECLI:NL:RBDHA:2025:25590

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
30 december 2025
Publicatiedatum
31 december 2025
Zaaknummer
NL25.52133 en NL25.52134
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van het beroep tegen het niet in behandeling nemen van een asielaanvraag op basis van de Dublinverordening

In deze uitspraak van de Rechtbank Den Haag op 30 december 2025, wordt het beroep van eiser, een Iraanse nationaliteit houder, tegen het niet in behandeling nemen van zijn asielaanvraag beoordeeld. Eiser had op 6 mei 2025 asiel aangevraagd in Nederland, maar de minister van Asiel en Migratie had deze aanvraag niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk zou zijn voor de aanvraag op basis van de Dublinverordening. De rechtbank heeft het beroep op 10 en 15 december 2025 behandeld, waarbij eiser en zijn gemachtigde aanwezig waren, maar de verweerder zich afmeldde. De rechtbank oordeelt dat de beroepsgronden van eiser niet slagen en verklaart het beroep ongegrond. Eiser had een Frans visum dat geldig was van 18 maart 2024 tot 17 april 2024, maar heeft geen asielaanvraag in Frankrijk ingediend. De rechtbank concludeert dat Nederland niet verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag, omdat de claimverzoeken tijdig zijn ingediend en Frankrijk verantwoordelijk blijft. Eiser heeft onvoldoende bewijs geleverd dat Frankrijk zijn internationale verplichtingen niet nakomt, en de rechtbank ziet geen aanleiding om toepassing te geven aan artikel 17 van de Dublinverordening. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.52133 en NL25.52134
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen
in de zaken tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. A.A. van Harmelen),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder.

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 23 oktober 2025 niet in behandeling genomen omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 10 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting aangehouden omdat er geen tolk aanwezig beschikbaar was.
1.2. De rechtbank heeft het beroep op 15 december 2025 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en de gemachtigde van eiser. Als tolk was aanwezig S. Olia. Verweerder heeft zich afgemeld voor de zitting.
1.3.
Eiser heeft een verzoek om een voorlopige voorziening (NL25.52134) ingediend. De rechtbank houdt in deze zaak geen zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt de Iraanse nationaliteit te hebben en op [geboortedatum] 1974 geboren te zijn. Op 6 mei 2025 heeft eiser in Nederland asiel aangevraagd. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Frankrijk verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. [2]
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser voert – kort samengevat - aan dat hetgeen wat door hem in de zienswijze al is vermeld en gesteld als herhaald en ingelast te beschouwen. Allereerst is de wettelijke grondslag van het claimverzoek aan Frankrijk onjuist. Immers, eiser had een visum welke door Frankrijk is afgegeven voor de periode van 18 maart 2024 tot en met 17 april 2024. Er is door eiser geen asiel aangevraagd in Frankrijk, maar wel in Duitsland. Op 29 april 2025 is eiser door Duitsland naar Frankrijk overgedragen en vervolgens is eiser op 6 mei 2025 naar Nederland gekomen en heeft hier asiel aangevraagd. Nu eiser in Frankrijk nimmer een asielverzoek heeft ingediend, had verweerder op grond van artikel 12, vierde lid, van de Dublinverordening een claimverzoek moeten indienen bij Frankrijk en niet op grond van artikel 18, eerste lid, onder a van de Dublinverordening, zodat Nederland verantwoordelijk is voor de asielaanvraag, aangezien het visum inmiddels al langer dan 6 maanden is verlopen. Verder geldt dat de termijn voor het indienen van een claimverzoek is overschreden, nu niet duidelijk is wanneer de Eurodac-treffer is ontvangen. Door Frankrijk is ook te laat gereageerd op de claim, namelijk een dag te laat. Dit maakt dat Nederland verantwoordelijk is geworden voor de behandeling van eisers asielaanvraag. Ten aanzien van Frankrijk kan niet worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Eiser kreeg bij aankomst in Frankrijk geen slaapplek of opvang en hij zich voor eten moest melden bij een liefdadigheidsinstelling. Ten tijde van zijn verblijf in Frankrijk is eiser aangevallen door Iraniërs, waarschijnlijk de Iraanse geheime dienst. Verder heeft eiser medische en psychische problemen. Zo is hij in Iran gemarteld, beschoten tijdens een protest en is zijn vrouw neergeschoten. In het licht van deze omstandigheden had verweerder volgens eiser toepassing moeten geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
Herhaald en ingelast
4. De rechtbank overweegt allereerst dat het uit het in algemene zin herhalen en inlassen van wat eiser eerder in de zienswijze en de overige stukken naar voren heeft gebracht, niet zonder meer kan worden afgeleid waarom eiser van mening is dat het bestreden besluit onjuist is. Daarom ziet de rechtbank hierin geen aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.
Juridische grondslag verzoek aan Frankrijk5. Niet in geschil is dat eiser een Frans visum had die geldig was van 18 maart 2024 t/m 17 april 2024 en dat eiser geen asielaanvraag heeft ingediend in Frankrijk. Vervolgens heeft eiser binnen de gestelde termijn van zes maanden van zijn visum [3] asiel aangevraagd in Duitsland, namelijk op 16 oktober 2024. Nu eiser zijn eerste asielverzoek in Duitsland heeft ingediend dient Duitsland vast te stellen welke lidstaat verantwoordelijk is. [4] Duitsland heeft vastgesteld dat de verantwoordelijke lidstaat Frankrijk is. Eiser is vervolgens op 29 april 2025 vanuit Duitsland overgedragen aan Frankrijk. Tussen partijen is niet in geschil dat deze overdracht rechtmatig heeft plaatsgevonden. Eiser heeft vervolgens op 6 mei 2025 in Nederland asiel aangevraagd.
5.1. Nederland heeft op 11 juni 2025 een claimverzoek naar Duitsland gestuurd waarop op 15 juni 2025 een afwijzing is gekomen. In de afwijzing van het claimverzoek hebben de Duitse autoriteiten gewezen op de verantwoordelijkheid van Frankrijk. Nederland heeft vervolgens op 16 juni 2025 op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder a, van de Dublinverordening een claimverzoek ingediend bij Frankrijk. Frankrijk heeft op 19 augustus 2025 een claimakkoord verzonden. Hiermee heeft Frankrijk kenbaar gemaakt dat zij verantwoordelijk zijn voor eisers asielaanvraag. De verantwoordelijkheid van de lidstaat vervalt alleen als de vreemdeling kan aantonen dat hij het grondgebied van de lidstaten voor ten minste drie maanden heeft verlaten. [5] De rechtbank is met verweerder van oordeel dat nu eiser het grondgebied van de lidstaten niet heeft verlaten, niet is gebleken dat de verantwoordelijkheid van Frankrijk is komen te vervallen en dat Nederland de asielaanvraag moet behandelen.
Termijn claimverzoek
6. De dag waarop een loopbrief aan een betrokkene is uitgereikt moet worden gezien als de datum waarop een verzoek om internationale bescherming is ingediend [6] . Uit het dossier volgt dat er een loopbrief is gedateerd op 6 mei 2025. Dit wordt ook niet betwist door partijen.
6.1
Op grond van artikel 21, eerste lid, van de Dublinverordening is bepaald dat een verzoek om overname in ieder geval binnen drie maanden na de indiening van het verzoek om internationale bescherming moet zijn ingediend. Dit is slechts anders als sprake is van een Eurodac-treffer. In dat geval geldt een termijn van maximaal twee maanden. Echter, uit de uitspraak van de Afdeling van 12 januari 2024 [7] volgt dat een claimverzoek op basis van een Eurodac-treffer binnen twee maanden na deze Eurodac-treffer moet zijn ingediend, maar uiterlijk binnen drie maanden na het indienen van de asielaanvraag.
6.2.
Gelet op het voorgaande heeft verweerder het overnameverzoek tijdig aan de Franse autoriteiten toegezonden. Dit heeft verweerder namelijk gedaan op 18 juni 2025, binnen twee maanden na de Eurodac-treffer van 6 mei 2025 én, als wordt uitgegaan van de datum van de loopbrief van 6 mei 2025 als datum van de asielaanvraag, binnen drie maanden na de asielaanvraag. De verantwoordelijkheid voor de behandeling van eisers asielaanvraag is daarom niet op grond van artikel 21, eerste lid, van de Dublinverordening bij Nederland komen te liggen.
Te late reactie vanuit Frankrijk
7. Op grond van artikel 22, eerste lid, van de Dublinverordening moet een lidstaat binnen twee maanden reageren op een verzoek tot overname. Echter, uit artikel 22, zevende lid, van de Dublinverordening volgt dat indien een lidstaat niet op het verzoek reageert dat gelijk staat met aanvaarding van het overnameverzoek (een fictief claimakkoord). Frankrijk heeft niet binnen de termijn gereageerd, waardoor de verantwoordelijkheid van Frankrijk vanaf 18 augustus 2025 vaststaat. Op 19 augustus 2025 hebben de Franse autoriteiten het claimverzoek ook uitdrukkelijk bevestigd. Weliswaar is Frankrijk een dag te laat met de aanvaarding van het overnameverzoek, maar er is sprake van een (fictief) gehonoreerd claimverzoek. De rechtbank is van oordeel dat verweerder terecht heeft geoordeeld dat Frankrijk verantwoordelijk is.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
8. In het algemeen mag verweerder ten opzichte van Frankrijk uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit houdt in dat verweerder als uitgangspunt erop mag vertrouwen dat Frankrijk zich houdt aan de verplichtingen uit het Unierecht en mensenrechtenverdragen. Het ligt daarom op de weg van eiser om aannemelijk te maken dat Frankrijk dit niet doet.
8.1.
Naar het oordeel van de rechtbank is eiser hierin niet geslaagd. Hierbij is van belang dat hij in het geheel geen recente documenten en/of informatie heeft overgelegd waaruit blijkt dat Frankrijk zich niet aan zijn internationale verplichtingen houdt. Weliswaar heeft eiser wel stukken van de Franse overheid overgelegd, maar hier volgt alleen uit waar eiser zich kan melden, maar uit de stukken volgt niet dat eiser geen toegang heeft tot opvang of een slaapplek. Ook in de enkele verklaring dat hij in Frankrijk is aangevallen door vermoedelijk andere Iraniërs, zonder dit met stukken te onderbouwen, ziet de rechtbank onvoldoende grond om te oordelen dat er ten aanzien van eiser sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden waardoor een overdracht aan Frankrijk getuigt van onevenredige hardheid. Eiser dient zich bij eventuele problemen te beklagen bij de daarvoor geëigende instanties in Frankrijk, dan wel bij de (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat eiser zich, voor zover het betreft de medische behandeling, heeft gewend tot de daartoe bevoegde instanties of hogere autoriteiten in Frankrijk. Ook is niet gebleken dat deze mogelijkheid ontbreekt of bij voorbaat zinloos is.
Artikel 17 van de Dublinverordening
9. De rechtbank is van oordeel dat verweerder gelet op alle omstandigheden geen aanleiding heeft hoeven zien om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Uit hetgeen eiser heeft aangevoerd is niet gebleken van zodanige bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht aan Frankrijk van onevenredige hardheid getuigt. Eiser heeft weliswaar gesteld dat hij last heeft van medische en psychische klachten, maar ter onderbouwing heeft hij alleen afspraakbevestigingen van de GGZ en een patiënten journaal overgelegd waaruit niet blijkt dat een overdracht aan Frankrijk een reëel risico op een aanzienlijke en onomkeerbare verslechtering van de gezondheidstoestand van hem met zich meebrengt zoals bedoeld in het het arrest C.K [8] . Ook is niet aannemelijk gemaakt dat eiser in Frankrijk geen toegang zal hebben tot adequate opvang en medische zorg, of dat sprake is van een situatie als bedoeld in het arrest Tarakhel [9] . Frankrijk heeft met het Dublinakkoord gegarandeerd dat eisers aanvraag in behandeling wordt genomen, waardoor eiser toegang heeft tot opvang en medische zorg. Verweerder heeft de door eiser aangevoerde omstandigheden onvoldoende mogen achten om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Ook de gestelde martelingen in Iran en beschietingen tijdens protesten, maken het voorgaande niet anders. Deze omstandigheden hebben met name betrekking op het asielrelaas en kan hij aan de orde brengen in Frankrijk.

Conclusie en gevolgen

10. De beroepsgronden slagen niet. Het beroep is ongegrond.
11. Nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [10] , wordt het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard.
12. Er is geen aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Holleman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van N. Mekenkamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Met toepassing van artikel 8:54 Algemene wet bestuursrecht.
2.Zie artikel 30, eerste lid van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
3.Op grond van artikel 12, vierde lid, van Dublinverordening.
4.Op grond van artikel 20, eerste lid, van de Dublinverordening.
5.Op grond van artikel 19, tweede lid, van de Dublinverordening.
6.Zie uitspraak van Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 21 september 2023, ECLI:NL:RVS:2023:3569
7.Zie uitspraak van de Afdeling van 12 januari 2024, ECLI:NL:RVS:2024:84.
8.Zie het arrest HvJ EU van 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127.
9.Zie het arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (HvJ) van 4 november 2014, ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUD002921712.
10.Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Awb.