In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 31 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen de maatregel van bewaring die op 29 oktober 2025 door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd aan de eiser. De maatregel van bewaring is gebaseerd op artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. Tijdens de zitting op 29 december 2025 heeft de rechtbank het beroep behandeld, waarbij eiser zich via een Teams-verbinding heeft laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, mr. W.R.S. Ramhit, en de minister door mr. L. Augustinus.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de maatregel van bewaring eerder is getoetst en dat deze tot het sluiten van het onderzoek op 7 november 2025 rechtmatig was. De beoordeling in deze zaak richt zich dan ook op de rechtmatigheid van de maatregel sinds dat moment. Eiser stelt dat de bewaring onrechtmatig is, omdat er geen zicht is op uitzetting binnen een redelijke termijn en dat de minister onvoldoende voortvarend handelt. De rechtbank overweegt dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser en dat er zicht op uitzetting naar Algerije is. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en wijst het verzoek om schadevergoeding af. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.