ECLI:NL:RBDHA:2025:25435

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
NL25.60874
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onjuiste grondslag voor bewaring van Algerijnse vreemdeling met verzoek om schadevergoeding

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 24 december 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de bewaring van een Algerijnse vreemdeling. De minister van Asiel en Migratie had op 9 december 2025 de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling, bijgestaan door zijn gemachtigde, heeft beroep ingesteld tegen dit besluit, waarbij hij tevens schadevergoeding heeft verzocht. Tijdens de zitting op 22 december 2025 heeft de rechtbank de zaak behandeld, waarbij de vreemdeling en zijn gemachtigde aanwezig waren, evenals de vertegenwoordiger van de minister.

De vreemdeling betoogde dat hij op onjuiste gronden was opgehouden, omdat hij geen identiteitsdocumenten had en de ophouding had moeten plaatsvinden op basis van artikel 50, tweede lid, van de Vreemdelingenwet. De rechtbank oordeelde dat de minister de juiste grondslag had gehanteerd, maar dat er een gebrek in het voortraject was. Dit gebrek was echter van geringe aard en leidde niet tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring. De rechtbank concludeerde dat de belangen van de minister zwaarder wogen dan het gebrek in de procedure.

De rechtbank heeft het beroep van de vreemdeling ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Wel werd de minister veroordeeld tot betaling van de proceskosten van de vreemdeling, vastgesteld op € 1.814,00. De uitspraak is openbaar gemaakt op 24 december 2025 en er staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60874
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul),

en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S. Faddach).

Procesverloop

Bij besluit van 9 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I.K. BenSmail. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2006.
Ophouding
2. Eiser stelt dat hij op een onjuiste grondslag is opgehouden. Eiser is nu opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw (de identiteit is vastgesteld, maar geen rechtmatig verblijf), maar dit had artikel 50, tweede lid, van de Vw moeten zijn. Eiser verwijst daarvoor onder meer naar het proces-verbaal van ophouding van 9 december 2025. Onder punt 6. staat dat eiser niet beschikte over identiteitsdocumenten. Verder verwijst eiser naar dossierstuk 19 (HV21 Formulier bijzonderheden zaak van 9 december 2025), waarin staat dat eiser ‘pil-niveau 5’ heeft. In bijlage 5 van het ‘Protocol Identificatie en Labeling’ staat dat dit betekent dat er geen identiteitsdocumenten aanwezig zijn. Uit deze omstandigheden blijkt dat eiser niet beschikte over identiteitsdocumenten, waardoor de ophouding had moeten plaatsvinden op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw. Dit is een gebrek in het voortraject, wat ertoe moet leiden dat er een belangenafweging plaatsvindt. Deze belangenafweging moet, nu sprake is van vrijheidsbeneming, in het voordeel van eiser uitvallen.
3. De minister heeft zich op het standpunt gesteld dat eiser op de juiste grondslag is opgehouden. Dat eiser niet beschikt over identiteitsdocumenten neemt niet weg dat eisers identiteit niet vaststond voor de minister. Het was immers duidelijk welke persoon werd overgenomen vanuit het strafrecht. Mocht eiser toch op de onjuiste grondslag zijn opgehouden, is de minister van oordeel dat de belangenafweging – gelet op de bewaringsgronden – in het voordeel van de minister moet uitvallen.
4. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling)1 volgt dat bij de ophouding de in het kader van de strafrechtelijke aanhouding verkregen gegevens over de identiteit van de vreemdeling tot uitgangspunt mogen worden genomen, maar dat dit niet betekent dat de identiteit in het vervolg als vaststaand moet worden aanvaard. Tijdens de ophouding beschikte eiser niet over identiteitsdocumenten, waardoor de ophouding op grond van artikel 50, tweede lid, van de Vw had moeten plaatsvinden. Eiser is dus op de onjuiste grondslag opgehouden, waardoor er sprake is van een gebrek in het voortraject.
5. Naar het oordeel van de rechtbank weegt de ernst van dit gebrek echter niet op tegen de belangen die met de maatregel van bewaring zijn gediend. Het is een gebrek van geringe aard. Niet in geschil is immers dat er een correcte wettelijke grondslag voor de ophouding voorhanden was, hetgeen ook uit het proces-verbaal van ophouding kon worden afgeleid. Verder is, zo volgt uit het navolgende, de maatregel van bewaring zelf rechtmatig en bestaat er een risico op onttrekking aan het toezicht. Het gebrek leidt daarom niet tot onrechtmatigheid van de maatregel van bewaring. De beroepsgrond slaagt niet.

Bewaringsgronden

6. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
1. Zie onder meer de uitspraken van de Afdeling van 25 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:134 en van 14 december 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4662.
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
7. De rechtbank stelt vast dat eiser de zware grond onder 3i en de lichte gronden onder 4c en 4d heeft betwist. De rechtbank is van oordeel dat de niet betwiste zware en lichte gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn en ook voldoende zijn om aan te nemen dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring daarom al dragen. Om die reden behoeft hetgeen eiser heeft aangevoerd over de zware grond onder 3i en de lichte gronden onder 4c en 4d geen bespreking. De beroepsgrond slaagt niet.

Lichter middel

8. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Eiser heeft in het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling van 9 december 2025 verklaard dat hij wil terugkeren naar Algerije, omdat zijn broer ziek is. Verder heeft hij ook verklaard dat hij een vriendin heeft in Nederland. Feitelijk kan eiser ook bij zijn vriendin verblijven in afwachting van zijn terugkeer. Daarover heeft de minister niets gemotiveerd in de maatregel van bewaring. Eisers vriendin is ook de reden dat hij niet eerder is vertrokken naar Algerije. Dat is nu veranderd, eiser heeft verklaard dat hij nu terug wil naar Algerije omdat hij daar problemen heeft die hij wil oplossen in de zin van dat zijn broer ziek is en niemand heeft om voor hem te zorgen. Al deze omstandigheden heeft de minister niet meegenomen in de motivering waarom niet kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel, terwijl dit wel had gemoeten.
9. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel. Dat de minister niet expliciet is ingegaan op de verklaring van eiser dat hij een vriendin heeft in Nederland waar hij kan verblijven, maakt nog niet dat de minister niet deugdelijk heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met het opleggen van een lichter middel. Eiser heeft deze verklaring namelijk op geen enkele wijze onderbouwd met documenten en heeft onvoldoende uitgelegd waarom die omstandigheid zou moeten leiden tot het opleggen van een lichter middel.2 Dat eiser zegt nu wel te willen vertrekken naar Algerije voor zijn zieke broer maakt dit niet anders. Uit eisers handelen is immers – zo volgt ook uit de niet bestreden gronden en de daarop gegeven motivering in de maatregel van bewaring – niet gebleken dat hij daadwerkelijk zal terugkeren naar Algerije. De minister heeft daarbij van belang mogen vinden dat eiser al eerder – op 31 december 2024 – met onbekende bestemming is vertrokken en eiser nooit melding heeft gemaakt van zijn onrechtmatig verblijf in Nederland. Het risico bij het opleggen van een lichter middel is daarom te groot. De beroepsgrond slaagt niet.
Zicht op uitzetting
10. Eiser stelt dat er geen sprake is van zicht op uitzetting naar Algerije of Marokko. Veertien maanden geleden is een laissez-passer (lp) aanvraag gedaan bij de Algerijnse autoriteiten. De laatste tijd is ook veel gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten. Door Algerije worden wel lp’s afgegeven, maar die van eiser zit er niet bij. Kennelijk is er iets aan de hand waardoor voor eiser geen lp wordt afgegeven. Ook de lp-aanvraag die is verstuurd aan de Marokkaanse autoriteiten heeft in tien maanden tijd nog niets opgeleverd.
11. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting ten aanzien van Algerije en Marokko in zijn algemeenheid niet ontbreekt. In oktober 2024 is een lp-aanvraag voor eiser verstuurd naar de Algerijnse autoriteiten en in februari 2025 is een lp-aanvraag verstuurd naar de Marokkaanse autoriteiten. De minister heeft hierover meerdere malen gerappelleerd bij de Algerijnse en Marokkaanse autoriteiten, maar dit heeft tot nu toe nog niets opgeleverd. Dat de lp-aanvragen nog steeds in behandeling zijn en niet zijn afgewezen betekent dat er momenteel nog steeds sprake is van zicht op uitzetting in het geval van eiser. Tijdens het gehoor voor inbewaringstelling heeft eiser verklaard dat hij een familieboekje bij zijn moeder in Algerije heeft. Het is niet gebleken dat eiser nadere actie heeft ondernomen om aan dit familieboekje te komen zodat dit kan worden overgelegd aan de Algerijnse of Marokkaanse autoriteiten in het kader van de lp-aanvragen. Eiser heeft blijkens het gehoor voor inbewaringstelling eerder ook verklaard absoluut niet terug te willen keren naar Algerije of Marokko. Niet is gebleken dat de Algerijnse of Marokkaanse autoriteiten niet alsnog een lp zullen verlenen als eiser zijn actieve en volledige medewerking aan zijn uitzetting verleent. Dat het zicht op uitzetting een nadere specifieke motivering in de maatregel zou behoeven volgt de rechtbank niet. De beroepsgrond slaagt niet.

Voortvarend handelen

12. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Eiser heeft een familieboekje dat meegestuurd kon worden met de lp-aanvraag van eiser. Verder heeft eiser in het gehoor voor inbewaringstelling van 9 december 2025 verklaard dat hij contact wil opnemen met de consul waar hij zijn problemen kon uitleggen, maar het is niet duidelijk of eiser ook daadwerkelijk die mogelijkheid heeft gekregen. Als hij daartoe niet de gelegenheid heeft gekregen is dat onzorgvuldig geweest.
13. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende voortvarend heeft gewerkt aan de uitzetting van eiser. Op 4 december 2025 is een vertrekgesprek met eiser gehouden. Op 17 december 2025 heeft de minister nog gerappelleerd bij de Algerijnse en Marokkaanse autoriteiten. Verder staat er op 5 januari 2026 nog een vertrekgesprek met eiser gepland. Dit zijn handelingen die de minister heeft uitgevoerd of nog gaat uitvoeren in het kader van de voortvarendheid. Hiermee heeft de minister al laten zien voortvarend te werken aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

14. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
15. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
16. De rechtbank veroordeelt, gezien het gebrek in het voortraject, de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.814,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af;
  • veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.814,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 december 2025

Documentcode: [Documentcode]

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.