ECLI:NL:RBDHA:2025:25431

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
24 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
NL25.60928
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bewaring van een Poolse vreemdeling en de beoordeling van bewaringsgronden

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 24 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een maatregel van bewaring opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. De eiser, een Poolse vreemdeling, had op 11 december 2025 een maatregel van bewaring opgelegd gekregen op grond van artikel 59 van de Vreemdelingenwet 2000. De rechtbank heeft het beroep op 22 december 2025 behandeld, waarbij de eiser werd bijgestaan door zijn gemachtigde en een tolk aanwezig was. De minister was vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft vastgesteld dat de minister de maatregel van bewaring had opgelegd omdat er een risico bestond dat de eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De eiser betwistte de gronden voor de maatregel en voerde aan dat hij slechts enkele uren in Nederland was om zijn spullen op te halen en dat er lichter middelen beschikbaar waren dan bewaring.

De rechtbank heeft de argumenten van de eiser beoordeeld en geconcludeerd dat de zware gronden voor de maatregel van bewaring voldoende gemotiveerd waren. De rechtbank oordeelde dat de eiser niet had aangetoond dat hij rechtmatig verblijf had in Nederland en dat hij niet over voldoende middelen beschikte om zijn terugreis te bekostigen. De rechtbank heeft ook geoordeeld dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom niet was volstaan met een lichter middel dan bewaring. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak is openbaar gemaakt op 24 december 2025.

Uitspraak

uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.60928
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser], V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. P.R.L.V.M. Kruik),
en

de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. S. Faddach).

Procesverloop

Bij besluit van 11 december 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 22 december 2025 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen I.M. de Groot-Sikora. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Poolse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1990.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
3. De rechtbank stelt vast dat eiser alle zware gronden en lichte gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd heeft betwist. Ter zitting heeft de minister de zware grond onder 3d laten vallen.
4. Over de zware grond onder 3c stelt eiser zich op het standpunt dat deze grond niet berust op een juiste feitenvaststelling. In de maatregel van bewaring had gemotiveerd moeten worden dat de intrekking van eisers rechtmatig verblijf in Nederland nog steeds geldig is. Dit is echter niet gemotiveerd, waardoor deze grond niet aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd kan worden. Ten aanzien van de lichte grond onder 4c heeft eiser aangevoerd dat hij enkel een paar uur in Nederland was om zijn spullen op te halen, waardoor hij geen tijd had om zich in te schrijven in de BRP. Over de lichte grond onder 4d heeft eiser aangevoerd dat het onttrekkingsrisico niet is gemotiveerd. Eiser verwijst hierbij naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, van 15 juni 20231 waarin is geoordeeld dat in dat geval geen onttrekkingsrisico bestond, ook al beschikte deze persoon slechts over € 1,-.
5. De rechtbank is van oordeel dat de zware grond onder 3c en de lichte gronden onder 4c en 4d feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Met het besluit van 17 september 2025 is het rechtmatig verblijf van eiser in Nederland ingetrokken en eiser moest Nederland verlaten. Dat heeft eiser niet gedaan, waardoor hij op 5 december 2025 na een eerdere inbewaringstelling is uitgezet naar Polen. Eiser is op 11 december 2025 weer aangetroffen in Nederland, terwijl hij zijn verblijf in Nederland na zijn vertrek op 5 december 2025 niet daadwerkelijk en effectief heeft beëindigd. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat eiser niet heeft gesteld dan wel onderbouwd dat hij in deze korte periode het centrum van zijn persoonlijke, professionele of familiebelangen naar Polen heeft overgebracht. De zware grond onder 3c is feitelijk juist en mocht daarom aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd worden.2 Verder beschikte eiser bij terugkomst in Nederland niet over een vaste woon- of verblijfplaats, hierdoor is het – zoals ook in de maatregel is gemotiveerd – niet mogelijk om toezicht op eiser te houden. Dat eiser zich slechts enkele uren in Nederland bevond, maakt dit niet anders. Daarnaast beschikt eiser niet over voldoende middelen van bestaan, waardoor het voor hem niet mogelijk is om zijn terugreis te bekostigen en in zijn levensonderhoud te voorzien. Eiser heeft hierdoor – zoals ook in de maatregel is gemotiveerd – niet aannemelijk kunnen maken dat hij zelfstandig uit Nederland zal vertrekken. De rechtbank volgt de verwijzing van eiser naar de hiervoor genoemde uitspraak van 15 juni 2023 niet. Deze uitspraak is door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vernietigd en het beroep in die zaak is alsnog ongegrond verklaard.3 In de onderhavige maatregel van bewaring is bovendien voldoende gemotiveerd waarom er sprake is van een risico op onttrekking. De lichte gronden onder 4c en 4d konden daarom ook aan de maatregel van bewaring ten grondslag gelegd worden.
6. De zware grond onder 3c en de lichte gronden onder 4c en 4d zijn al voldoende om de maatregel van bewaring te kunnen dragen. Daaruit volgt ook dat er een risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht op vreemdeling zal onttrekken. De overige betwiste gronden behoeven daarom geen bespreking meer. De beroepsgrond slaagt niet.
Lichter middel
7. Eiser stelt verder dat de minister had kunnen volstaan met het opleggen van een lichter middel dan de maatregel van bewaring. Eiser was slechts enkele uren in Nederland om zijn spullen op te halen en zou dezelfde dag weer vertrekken. Met deze spullen kon hij een bestendig verblijf in Polen opbouwen. Deze spullen moest hij bij zijn eerdere uitzetting noodgedwongen achterlaten, omdat hij deze niet mee kon nemen met het vliegtuig. Eiser heeft dus wel degelijk omstandigheden genoemd waarom de minister had moeten volstaan met het opleggen van een lichter middel. Verder had gezien de psycho-emotionele toestand van eiser met een lichter middel moeten worden volstaan.
8. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom niet is volstaan met het opleggen van een lichter middel. Gezien de gronden (3c, 4c, en 4d) en de motivering daarvan in de maatregel van bewaring, zou een lichter middel niet doeltreffend zijn en leiden tot eisers vertrek uit Nederland. Daarbij heeft de minister mogen overwegen dat de door eiser aangevoerde omstandigheden, te weten dat hij pas sinds 11 december 2025 in Nederland was, dat hij hier alleen was om zijn spullen te halen en binnen een uur weer wilde vertrekken en dat hij als enige zijn zich in Nederland bevindende spullen kan achterhalen die vanwege bagagebeperkingen niet allemaal mee kunnen op de voor eiser geplande vlucht op 29 december 2025, niet kunnen leiden tot het opleggen van een lichter middel. Eiser bevond zich immers (weer) niet rechtmatig in Nederland en uit zijn verklaringen tijdens het gehoor voor inbewaringstelling van 11 december 2025 blijkt ook niet dat hij de intentie had om hier rechtmatig te zijn. Evenmin is onderbouwd dat eiser geen hulp – desnoods via zijn gemachtigde – zou kunnen inschakelen voor het verzamelen en overbrengen van zijn spullen naar Polen. Ook de medische toestand van eiser maakt niet dat met een lichter middel volstaan had moeten worden. Hiertoe heeft de minister mogen motiveren dat in het detentiecentrum voldoende medische zorg aanwezig is. De beroepsgrond slaagt niet.

Ambtshalve toetsing

9. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op zitting is besproken is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.

Conclusie

10. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
11. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van mr. E. Mulder, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
24 december 2025

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.