ECLI:NL:RBDHA:2025:25425

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
AWB25/11961
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag machtiging voorlopig verblijf wegens onvoldoende gezinsband

Eiser, een Ghanees kind geboren in 2007, heeft meerdere malen een machtiging voorlopig verblijf (mvv) aangevraagd om bij zijn vader in Nederland te verblijven. De vader, referent, woont al lang in Nederland en heeft het gezag over eiser niet voldoende aangetoond. De minister wees de aanvraag in 2020 af wegens onvoldoende bewijs van het gezag en de feitelijke gezinsband. De rechtbank verklaarde het beroep toen ongegrond, maar de Afdeling bestuursrechtspraak vernietigde deze uitspraak en verwees de zaak terug vanwege een gewijzigd toetsingskader voor gewoonterechtelijke erkenning.

In afwachting van de terugverwijzing diende eiser in februari 2025 een nieuwe aanvraag in die werd ingewilligd, waarna hij naar Nederland kwam. Eiser betoogt dat hij nog steeds belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep en verzoekt om een eerdere ingangsdatum van het verblijfsrecht en vergoeding van proceskosten. De rechtbank oordeelt dat hoewel het gewijzigde toetsingskader ertoe leidt dat de vader als gezaghebbende ouder wordt beschouwd, eiser onvoldoende heeft aangetoond dat er een feitelijke gezinsband is die een eerdere verblijfsdatum rechtvaardigt.

De rechtbank wijst het beroep af en oordeelt dat er geen aanleiding is voor proceskostenvergoeding, omdat de minister niet onrechtmatig heeft gehandeld. Het beroep is daarmee ongegrond verklaard, en eiser krijgt geen vergoeding van griffierecht of proceskosten. De uitspraak is gedaan door rechter E.E.M. van Abbe op 12 december 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de aanvraag mvv is ongegrond verklaard wegens onvoldoende onderbouwing van de feitelijke gezinsband.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/11961

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J. van Koesveld),
en

de minister van Asiel en Migratie

(gemachtigde: mr. R. Mandersloot).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser voor een machtiging van voorlopig verblijf (mvv) voor verblijf bij zijn vader. Eiser is het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven
.Eiser krijgt dus geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Op 28 februari 2020 is namens eiser een aanvraag gedaan (mvv), voor verblijf bij zijn vader, referent. Deze aanvraag is bij besluit van 1 mei 2020 afgewezen. Het hiertegen ingestelde bezwaar is bij besluit van 24 december 2020 door de minister kennelijk ongegrond verklaard. Het beroep van eiser hiertegen is bij uitspraak [1] van 15 juli 2021 ongegrond verklaard door de rechtbank. Bij uitspraak [2] van 6 maart 2025 heeft de Afdeling het hoger beroep van eiser hiertegen gegrond verklaard en de uitspraak van 15 juli 2021 vernietigd. De Afdeling heeft de zaak terugverwezen naar de rechtbank. Dit betreft het onderhavige beroep.
2.1.
Terwijl het hoger beroep aanhangig was, is er op 12 februari 2025 namens eiser nogmaals een aanvraag tot het verlenen van een mvv ingediend. Deze aanvraag is bij besluit van 12 februari 2025 ingewilligd.
2.2.
De rechtbank heeft het (door de Afdeling terugverwezen) beroep op 4 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser (telefonisch) en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren [geboortedatum] 2007 en heeft de Ghanese nationaliteit. Referent is de vader van eiser. De relatie tussen referent en de moeder van eiser is al voor de geboorte van eiser verbroken. Referent woont al lang in Nederland, ook al tijdens de geboorte van eiser. Eiser is bij zijn moeder in Ghana opgegroeid. Referent heeft voor het eerst in 2014 een mvv aangevraagd met het doel om eiser bij hem in Nederland te laten verblijven. Ook in 2016 heeft hij hiertoe een mvv aangevraagd. Beide aanvragen zijn afgewezen door de minister. Hier zijn geen rechtsmiddelen tegen aangewend.
4. In 2020 is onderhavige aanvraag ingediend. Deze is door de minister afgewezen omdat referent niet had aangetoond dat hij het rechtmatig gezag heeft over eiser. Ook is volgens de minister niet aannemelijk gemaakt dat er sprake is van een feitelijke gezinsband tussen referent en eiser. Bewijzen van geldovermakingen, vliegtickets en enkele foto’s van hen samen, zijn onvoldoende om dit aannemelijk te maken. De rechtbank heeft het beroep tegen deze beslissing ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is aangetoond dat referent het gezag heeft over eiser. Hierbij verwijst de rechtbank naar een uitspraak van de Afdeling [3] waaruit volgt dat een erkenning naar Ghanees gewoonterecht in Nederland kan worden erkend als aan vier cumulatieve voorwaarden wordt voldaan. Daar is hier geen sprake van. Ook overweegt de rechtbank dat de minister terecht geen hechte, persoonlijke band tussen eiser en referent heeft aangenomen. Eiser heeft hoger beroep ingesteld tegen deze uitspraak. Bij de beoordeling van dit hoger beroep overweegt de Afdeling dat zij is teruggekomen van haar eerdere standpunt over de vier cumulatieve voorwaarden. [4] Deze vier criteria zijn niet langer doorslaggevend bij de vraag of sprake is van een gewoonterechtelijke erkenning maar moeten enkel worden meegewogen in de beoordeling hiervan. Nu de rechtbank is uitgegaan van het oude toetsingskader betekent dit dat het hoger beroep gegrond was. De Afdeling heeft de zaak terugverwezen naar de rechtbank om door haar te worden behandeld. De Afdeling laat zich in haar uitspraak niet uit over de feitelijke gezinsband. Deze terugverwijzing ligt nu bij de rechtbank voor.
5. Omdat eiser bijna meerderjarig zou worden, heeft hij onderhavige procedure niet afgewacht. Op 12 februari 2025 is namens eiser een nieuwe aanvraag gedaan voor een mvv voor verblijf als familie- of gezinslid bij zijn vader. In die procedure is referent gelet op bovengenoemde Afdelingsjurisprudentie als juridische en gezaghebbende vader van eiser beschouwd. Wel is aan eiser gevraagd om aanvullende stukken ter onderbouwing de feitelijke gezinsband tussen referent en eiser. Nadat deze aanvullende stukken zijn overgelegd, is de aanvraag tot het verlenen van een mvv bij besluit van 12 mei 2025 ingewilligd. Eiser is inmiddels in Nederland.
Wat vindt eiser?
6. Eiser is van mening dat zijn belang bij een inhoudelijke beoordeling is komen ter vervallen, nu hij al in het bezit is gesteld van de gevraagde mvv en in Nederland verblijft. Eiser stelt echter dat dit onverlet laat dat hij vanwege de ingangsdatum van zijn verblijfsrecht nog altijd belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Ook vindt eiser dat hij recht heeft op vergoeding van de door hem gemaakte proceskosten in bezwaar en beroep. Hij voert hiertoe aan dat de minister altijd een onjuiste uitleg heeft gegeven aan de door hem overgelegde documenten uit Ghana betreffende de familierechtelijke rechten en het gezag. Met de Afdelingsuitspraak waarin het toetsingskader wordt aangepast, staat vast dat in het verleden onjuist is gehandeld. Dit raakt ook de juistheid van de eerdere besluiten en daarom bestaat er aanleiding voor een proceskostenvergoeding. Er werd ten onrechte niet uitgegaan van juridisch ouderschap. Hierom werd eerder ook niet toegekomen aan de feitelijke gezinsband, aldus eiser. Eiser is het niet eens met het standpunt van de minister dat de minister in de nieuwe procedure enkel tot inwilliging is gekomen omdat pas na herstelverzuim is aangetoond dat de gezinsband niet is verbroken. Dat daarom geen plaats bestaat voor een eerdere ingangsdatum of een veroordeling in de proceskosten, volgt eiser dan ook niet.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat het eerdergenoemde gewijzigde toetsingskader ertoe leidt dat referent als juridische en gezaghebbende ouder van eiser moet worden beschouwd. Dit hoeft echter niet per definitie tot de conclusie te leiden dat het bestreden besluit de afwijzing van de aanvraag niet langer kan dragen en deze aanvraag had moeten worden ingewilligd. Voor vergunningverlening moet er immers ook worden aangetoond dat er voldoende invulling wordt gegeven aan het gezinsleven tussen het kind en de biologische of juridische ouder. In tegenstelling tot hetgeen eiser stelt, is er in de onderhavige procedure steeds door de minister (ook) op gewezen dat de feitelijke gezinsband tussen eiser en referent onvoldoende aannemelijk is gemaakt. Mede hierom is de aanvraag afgewezen. [5] De stelling van eiser dat eerder niet is toegekomen aan de feitelijke gezinsband, volgt de rechtbank gelet hierop dan ook niet. De enkele omstandigheid dat de Afdeling zich in haar uitspraak wel heeft beperkt tot een oordeel over het gebruikte toetsingskader voor gewoonterechtelijke erkenning, maakt dit niet anders en doet hieraan niet af.
8. Nu eiser in onderhavige aanvraag niet middels (aanvullende) stukken heeft onderbouwd dat er sprake is van voldoende invulling van het gezinsleven, ziet de rechtbank ook geen aanleiding om te concluderen dat hem vanaf een eerdere datum verblijfsrecht moet worden toegekend. Daarom bestaat evenmin aanleiding tot het vergoeden van de proceskosten in de bezwaarprocedure. Deze komen namelijk op grond van artikel 7:15 van Pro de Awb uitsluitend voor vergoeding in aanmerking bij herroeping van een besluit wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid. Daarvan is hier geen sprake. Vanwege het gewijzigde toetsingskader inzake de gewoonterechtelijke erkenning is de minister weliswaar teruggekomen van het eerder ingenomen standpunt over het gezag maar naar het oordeel van de rechtbank bestaat er echter geen grond voor het oordeel dat hetgeen is overwogen over de vaststelling van de feitelijke gezinsband de afwijzing niet kan dragen. De beroepsgrond faalt.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt daarom ook geen vergoeding van zijn proceskosten in de beroepsprocedure.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.E.M. van Abbe, rechter, in aanwezigheid van drs. C.L.W. Slycke - van Dort, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

3.Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 15 maart 2017, ECLI:NL:RVS:2017:678.
4.In haar uitspraak van 11 december 2024, ECLI:NL:RVS:2024:5118.
5.Zie het bestreden besluit, blz. 3, 4 en 5 en het besluit in primo, blz. 3 en 4.