11.2.De minister heeft in het bestreden besluit ook uitgebreid gemotiveerd waarom eiser voor deze ongerijmdheden en tegenstrijdigheden geen deugdelijke verklaringen heeft gegeven. De rechtbank constateert dat eiser ook in beroep hiervoor geen verklaring heeft gegeven. De rechtbank oordeelt daarom dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat het arrestatiebevel en de lijst met gezochte personen onvoldoende zijn om te leiden tot een gegronde vrees voor vervolging bij terugkeer vanwege eisers politieke overtuiging.
12. Eiser heeft in beroep een lidmaatschapskaart van de ADF overgelegd. De rechtbank constateert ten aanzien van deze lidmaatschapskaart het volgende. De lidmaatschapskaart bevat een foto van eiser en op de kaart is vermeld dat deze is afgegeven op 14 mei 2024. Eiser is op 2 april 2025, dus bijna een jaar na het uitgeven van deze kaart, aanvullend gehoord over zijn politieke overtuiging en activiteiten. In het aanvullend gehoor heeft eiser verklaard dat hij een fysieke lidmaatschapskaart had en dat hij naar België zou moeten om een digitale lidmaatschapskaart te laten maken, omdat hij ter plekke een foto moet laten maken. Op de vraag of het voor hem mogelijk is om een digitale foto op te sturen, verklaart eiser dat dit niet mogelijk is.11 Op de zitting is eiser gevraagd waarom hij bij het aanvullend gehoor niet op lidmaatschapskaart heeft gewezen, die toen al uitgegeven was. Eiser heeft toegelicht dat hij de lidmaatschapskaart in persoon moest ophalen in België, dat hij hiervoor moest tekenen en een eed moest afleggen. Eiser heeft op de zitting toegelicht dat hij hiertoe eerder niet in staat was, maar dat Vluchtelingenwerk Nederland dit alsnog voor hem heeft geregeld. Eiser heeft verder verklaard dat hij niet heeft gezegd dat hij niet in staat was om een digitaal een foto te verzenden. Naar het oordeel van de rechtbank heeft eiser aldus geen verklaring gegeven voor de omstandigheid dat hij ten tijde van het aanvullend gehoor al bijna een jaar beschikte over een lidmaatschapskaart, gezien de afgiftedatum, en daar geen melding van heeft gemaakt. Gelet op deze ongerijmde verklaringen over de in beroep overgelegde lidmaatschapskaart vindt de rechtbank dat ook aan die kaart niet de waarde kan worden gehecht die eiser wenst.
Politieke activiteiten bij terugkeer in land van herkomst
13. De rechtbank overweegt dat eiser tijdens het aanvullend gehoor is bevraagd over zijn politieke overtuiging en de activiteiten die hij na terugkeer wil verrichten. De minister heeft aan eiser gevraagd of hij bij terugkeer naar Kameroen opnieuw activiteiten wil verrichten voor de ADF en ook wat voor activiteiten hij bij terugkeer dan zou willen verrichten. Eiser heeft daarop verklaard dat hij niet weet wat voor politieke activiteiten hij voor de ADF zou verrichten, omdat hij pas kan terugkeren als de ADF de onafhankelijkheid van het Engelstalige deel van Kameroen heeft bereikt.12 De minister heeft hierop doorgevraagd en de vraag naar de te verrichten activiteiten bij terugkeer op verschillende manieren gesteld. Het antwoord op deze vragen kwam er telkens op neer dat eiser dat niet kan beantwoorden omdat hij nu niet terug kan. Voor zover eiser in beroep opmerkt dat ten onrechte alleen gevraagd is welke politieke activiteiten hij in Kameroen zou willen verrichten indien dat in vrijheid zou kunnen, is dit naar het oordeel van de rechtbank een onjuiste lezing van het verslag van het aanvullend gehoor. In de vragen over de te verrichten activiteiten bij terugkeer komen de woorden “in vrijheid” niet voor. De rechtbank merkt voorts op dat op de zitting nogmaals aan eiser is gevraagd wat voor activiteiten hij zou verrichten bij terugkeer naar Kameroen, ook als hij nu terug zou moeten en de situatie in zijn land niet is veranderd. Eiser verklaart ook op de zitting dat hij alleen terug kan naar Kameroen als de ADF onafhankelijkheid heeft bereikt voor het Engelstalige gedeelte van Kameroen en maakt niet concreet wat voor politieke activiteiten hij bij terugkeer naar Kameroen wil verrichten in geval die onafhankelijkheid niet is bereikt.
14. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende onderzoek gedaan naar de te verrichten activiteiten bij terugkeer en is eiser voldoende in de gelegenheid gesteld om te verklaren over de politieke activiteiten die hij wil verrichten bij terugkeer naar Kameroen.
Eindconclusie politieke overtuiging
15. De beoordeling van de gestelde vrees van eiser vanwege zijn politieke overtuiging heeft de minister niet in strijd met het arrest S. en A. van het Hof van 21 september 2023 verricht. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat aan het arrestatiebevel, de lijst met gezochte personen, de lidmaatschapskaart van de ADF geen waarde wordt gehecht en dat eisers verklaringen over zijn politieke activiteiten niet aannemelijk maken dat sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Kameroen. De beroepsgrond slaagt niet.
Binnenlands beschermingsalternatief
16. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte een binnenlands beschermingsalternatief tegenwerpt in [plaats 1] , [plaats 2] en [plaats 3] . Volgens eiser heeft de minister onvoldoende getoetst aan de voorwaarden van artikel 3.37d van het Voorschrift Vreemdelingen (VV). Verder heeft eiser gelet op het arrestatiebevel voldoende aannemelijk gemaakt dat hij bij terugkeer niet alleen heeft te vrezen vanwege de uitzonderlijke geweldssituatie, maar dat hij ook een individuele vrees heeft vanwege zijn politieke overtuiging. Eiser wijst op de uitspraak van de rechtbank Den Haag van deze zittingsplaats van 23 mei 2025.13
17. Eiser is afkomstig uit de provincie South-West. De minister neemt voor de provincies North-West en South-West in Kameroen aan dat sprake is van een uitzonderlijk niveau van willekeurig geweld.14 De minister werpt een binnenlands beschermingsalternatief tegen aan vreemdelingen die uit deze provincies komen, waarvan het reële risico op ernstige schade niet is gebaseerd op individuele omstandigheden en als voldaan is aan de voorwaarden van artikel 3.37d van het VV.
18. Gelet op wat de rechtbank heeft geoordeeld in overweging 15, is de rechtbank van oordeel dat de minister deugdelijk heeft gemotiveerd dat geen sprake is van een individuele vrees voor vervolging of ernstige schade waardoor het binnenlands beschermingsalternatief niet aan eiser kan worden tegengeworpen. Verder heeft de minister in het bestreden besluit onder verwijzing naar openbare informatie onderbouwd dat het binnenlands beschermingsalternatief aan eiser kan worden tegengeworpen. Eiser onderbouwt in zijn beroep niet waarom deze toets niet voldoet aan de voorwaarden en waarom de motivering daarvan onjuist is. De enkele verwijzing naar het arrestatiebevel is daarvoor, mede gelet op wat daarover in deze uitspraak is overwogen, niet voldoende. De verwijzing naar de uitspraak van deze zittingsplaats van 23 mei 2025 verandert het oordeel van de rechtbank ook niet. In de uitspraak waar eiser naar verwijst was de vreemdeling een alleenstaande vrouw en had de vreemdeling informatie overgelegd waaruit bleek dat gelet op haar situatie als alleenstaande vrouw het binnenlands beschermingsalternatief niet aan haar kon worden tegengeworpen. Eiser heeft in beroep niet met informatie onderbouwd waarom het binnenlands beschermingsalternatief in zijn geval niet kon worden tegengeworpen. De beroepsgrond slaagt niet.
Beoordeling refoulement
19. Eiser heeft verder gewezen op het beginsel van non-refoulement, het arrest Ararat van het Hof van 17 oktober 202415 en op de uitspraak van de Afdeling waarin de rol van de rechtbank uiteen is gezet bij de beoordeling van het beginsel van non-refoulement.16 De rechtbank constateert dat eiser in beroep uitsluitend naar passages uit de uitspraak van de Afdeling heeft verwezen. Voor zover eiser heeft beoogd te betogen dat de rechtbank ambtshalve een beoordeling van het risico op refoulement moet maken of deze kenbaar moet maken, ziet de rechtbank daar in dit geval geen aanleiding voor. Zoals uit deze uitspraak volgt heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank deugdelijk gemotiveerd waarom geen sprake is van een gegronde vrees voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Kameroen. Door eiser zijn geen gegevens ter kennis gebracht die aanknopingspunten bieden voor een ambtshalve beoordeling van de vraag of eisers terugkeer in strijd is met het beginsel van non-refoulement. Ook de in beroep overgelegde lidmaatschapskaart van de ADF biedt daar, gelet op wat daarover in deze uitspraak is overwogen, geen aanknopingspunt voor.