ECLI:NL:RBDHA:2025:24852

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
NL24.38924 en NL25.21918
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag verblijfsvergunning voor arbeid als zelfstandige door Turkse staatsburger

In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Den Haag het beroep van eiser, een Turkse staatsburger, tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige. Eiser had op 28 juli 2024 een aanvraag ingediend, maar deze werd afgewezen omdat hij niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) beschikte. Eiser had eerder ook aanvragen gedaan voor een verblijfsvergunning als kennismigrant, maar deze waren niet succesvol. De rechtbank behandelt het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser, dat werd ingediend op 4 oktober 2024. De rechtbank oordeelt dat de afwijzing van de aanvraag terecht is, omdat eiser geen bijzondere omstandigheden heeft aangevoerd die hem vrijstellen van het mvv-vereiste. De rechtbank concludeert dat het beroep ongegrond is en verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk, aangezien er inmiddels uitspraak is gedaan in het beroep. Eiser krijgt geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: NL24.38924 en NL25.21918
uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. Y. Özdemir),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: mr. L. Den Hollander).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van de aanvraag van eiser en beoordeelt de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening van eiser.
1.1.
Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 1 oktober 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 14 april 2025 op het bezwaar van eiser is verweerder bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
1.2.
Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
2. De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: mr. R. Poyraz namens de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1980 en heeft de Turkse nationaliteit. Eiser heeft op 28 juli 2024 een aanvraag ingediend om verlening van een verblijfsvergunning voor het verrichten van arbeid als zelfstandige. Op 4 oktober 2024 heeft eiser daarnaast een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend, om het bezwaar in Nederland te mogen afwachten.
4. Verweerder heeft de aanvraag van eiser afgewezen, omdat eiser niet over een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) beschikt. Ook heeft eiser geen bijzondere individuele omstandigheden naar voren gebracht die hem kunnen vrijstellen van het mvv-vereiste.
5. Eiser heeft tweemaal eerder een aanvraag voor een verblijfsvergunning voor arbeid als zelfstandige ingediend en eiser heeft ook driemaal een verblijfsvergunning als kennismigrant aangevraagd. Die aanvragen hebben niet tot een verblijfsvergunning geleid.
Wat vindt eiser in beroep?
6. Eiser stelt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en dat verweerder in strijd met de goede procesorde handelt. Verweerder heeft nagelaten om eiser om informatie te verzoeken, terwijl verweerder kennelijk wel nog stukken nodig had om tot een weloverwogen beslissing te komen. Ook had verweerder eiser moeten horen. Daarnaast stelt eiser dat hem niet kan worden tegengeworpen dat hij niet over een mvv beschikt, aangezien eiser onder een gunstiger regime naar Nederland toe is gekomen en het later ingevoerde strengere beleid niet op hem van toepassing is vanwege artikel 41 van het Aanvullend Protocol [1] , waarin is bepaald dat Turkse zelfstandigen geen nieuwe beperkingen opgelegd kunnen worden, zoals volgens eiser in dit geval de bijzondere individuele omstandigheden. Ook is de toepassing van het ongunstigere mvv-vereiste voor eiser onevenredig hard.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
7. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond is. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot haar oordeel is gekomen.
8. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat aan eiser het mvv-vereiste kan worden tegengeworpen. Door de herinvoering per 1 oktober 2022 van het mvv-vereiste als zelfstandige afwijzingsgrond voor Turkse staatsburgers die onder de werking van het Associatierecht vallen, is dit vereiste van toepassing op de onderhavige aanvraag van eiser. [2] Het bestreden besluit is, in tegenstelling tot wat eiser stelt, niet in strijd met het Associatieverdrag EEG-Turkije [3] en artikel 41 van het van het Aanvullend Protocol. Dat eiser al in Nederland was voor invoering van het mvv-vereiste maakt dat niet anders. De rechtbank merkt daarbij op dat eiser toen ook niet over een geldige verblijfsvergunning beschikte.
9. Verweerder heeft zich daarnaast op het standpunt mogen stellen dat eiser geen bijzondere en individuele omstandigheden heeft aangevoerd waardoor hij in aanmerking zou komen voor vrijstelling van het mvv-vereiste. Verweerder heeft erop mogen wijzen dat eiser al in het primaire besluit erop is gewezen dat de aanvraag niet verder inhoudelijk wordt beoordeeld indien eiser niet aan het mvv-vereiste voldoet. Daarbij heeft verweerder mogen betrekken dat eiser desondanks heeft nagelaten te onderbouwen op grond waarvan hij vrijgesteld zou moeten worden van het mvv-vereiste. Ook heeft verweerder mogen concluderen dat niet is gebleken van een onevenredige hardheid om eiser het mvv-vereiste tegen te werpen. Verweerder heeft eiser mogen tegenwerpen dat eisers stelling, dat de continuïteit van eisers onderneming daarmee in gevaar zou komen, niet met stukken is onderbouwd.
10. De rechtbank is tot slot van oordeel dat verweerder eiser niet had hoeven horen. De hoogste bestuursrechter heeft overwogen dat het horen in bezwaar een essentieel onderdeel is van de bezwaarschriftenprocedure en dat de vreemdeling in beginsel wordt gehoord. Verweerder mag slechts van horen afzien als er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de gronden van bezwaar niet tot een ander besluit kunnen leiden. [4] Verweerder heeft op grond van wat naar voren is gebracht in bezwaar redelijkerwijs kunnen concluderen dat het bezwaar niet tot een andere uitkomst kon leiden. Verweerder heeft daarom van het horen in de bezwaarfase mogen afzien.

Conclusie en gevolgen

11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt.
12. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt buiten zitting afgedaan en niet-ontvankelijk verklaard, nu er uitspraak is gedaan in het beroep en er niet langer sprake is van connexiteit [5] .
13. Eiser krijgt het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
De voorzieningenrechter verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening
niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. L.W.H. Schippers, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak op het beroep, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Aanvullend Protocol bij de op 12 september 1963 te Ankara ondertekende Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschap en Turkije (het Aanvullend Protocol).
2.Uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 1 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2935.
3.Besluit nr. 1/80 van de Associatieraad van 19 september 1980 betreffende de ontwikkeling van de associatie tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek Turkije.
4.Uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022, ECLI:NL:RVS:2022:1918.
5.Op grond van artikel 8:81 en 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.