In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 16 december 2025 uitspraak gedaan in een bestuursrechtelijke procedure betreffende de bewaring van een vreemdeling. Eiser, vertegenwoordigd door zijn gemachtigde mr. B. Pattiata, had beroep ingesteld tegen de maatregel van bewaring die door de minister van Asiel en Migratie was opgelegd op 5 november 2025. De rechtbank heeft de zaak behandeld op 10 december 2025, waarbij eiser aanwezig was met zijn gemachtigde en een tolk. De rechtbank overwoog dat de minister voldoende gemotiveerd had aangetoond dat er geen lichter middel dan bewaring kon worden toegepast, gezien het onttrekkingsrisico en de eerdere geschiedenis van eiser met vreemdelingenbewaring. Eiser had aangevoerd dat hij een tante in Nederland had en terug wilde keren naar Algerije, maar de rechtbank oordeelde dat deze argumenten niet voldoende waren om de maatregel van bewaring te betwisten. Daarnaast werd door eiser gesteld dat er geen zicht op uitzetting naar Algerije was, maar de rechtbank concludeerde dat er in het algemeen zicht op uitzetting wordt aangenomen en dat eiser zelf ook verplicht was om mee te werken aan zijn uitzetting. De rechtbank heeft de rechtmatigheid van de maatregel ambtshalve getoetst en geen gronden gevonden voor onrechtmatigheid. Uiteindelijk werd het beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. De uitspraak werd gedaan door mr. E.C. Harting, in aanwezigheid van griffier mr. M. Stehouwer.