ECLI:NL:RBDHA:2025:24718

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
11 december 2025
Publicatiedatum
22 december 2025
Zaaknummer
NL25.52178
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen afwijzing asielaanvraag op basis van Dublinverordening en interstatelijk vertrouwensbeginsel

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 11 december 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen de afwijzing van een asielaanvraag door de minister van Asiel en Migratie. De eiser, van Iraakse nationaliteit, had een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, maar deze werd niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk werd geacht voor de behandeling van de aanvraag op basis van de Dublinverordening. Eiser heeft tegen dit besluit beroep ingesteld, waarbij hij aanvoerde dat er sprake was van bijzondere omstandigheden die een behandeling van zijn aanvraag in Nederland rechtvaardigden. De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 behandeld, waarbij eiser, zijn gemachtigde en een tolk aanwezig waren.

De rechtbank overwoog dat de minister terecht had geoordeeld dat Duitsland verantwoordelijk was voor de asielaanvraag en dat eiser niet aannemelijk had gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico liep op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie strijdige behandeling. Eiser voerde aan dat de besluitvorming onzorgvuldig was, omdat verweerder een standaard voornemen had gebruikt en niet voldoende rekening had gehouden met zijn persoonlijke omstandigheden. De rechtbank oordeelde echter dat de minister voldoende had gemotiveerd waarom de asielaanvraag niet in behandeling werd genomen en dat de beroepsgronden van eiser niet slaagden.

Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond, wat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en eiser kan worden overgedragen naar Duitsland. De rechtbank concludeerde dat er geen aanleiding was voor een proceskostenvergoeding.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Rotterdam
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.52178

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam eiser] , eiser

V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. C.T.W. van Dijk),
en

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

(gemachtigde: mr. L. Ludwig).

Procesverloop

Bij besluit van 24 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) niet in behandeling genomen op de grond dat Duitsland verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 27 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, mr. M. E. Buijsse als waarnemer voor de gemachtigde van eiser,
W. Zaghoud als tolk en de gemachtigde van verweerder.

Overwegingen

Inleiding
1. Eiser stelt van Iraakse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1985.
2. Uit Eurodac is gebleken dat eiser op de volgende data in de volgende landen een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend: 14 november 2018 in Duitsland;
14 november 2023 in Frankrijk; 4 juli 2024 in Duitsland; 7 oktober 2024 in Frankrijk;
31 oktober 2024 in Frankrijk; 30 december 2024 in Duitsland en 7 april 2025 in Duitsland. Ook is uit Eurodac gebleken dat de aanvragen van 20 maart 2024 en 30 december 2024 om een wedertoelating gaan. Gelet hierop heeft verweerder op 21 augustus 2025 de autoriteiten van Duitsland verzocht om eiser terug te nemen op grond van artikel 18, eerste lid en onder b, van de Dublinverordening. Op 25 augustus 2025 zijn de autoriteiten van Duitsland hiermee akkoord gegaan op grond van artikel 18, eerste lid en onder d, van de Dublinverordening.
Het bestreden besluit
3. Bij het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser met toepassing van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 niet in behandeling genomen, omdat Duitsland op grond van de Dublinverordening verantwoordelijk is voor de
behandeling daarvan. Eiser heeft volgens verweerder niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht aan Duitsland een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (Handvest) strijdige behandeling. Ook heeft eiser volgens verweerder geen andere redenen aannemelijk gemaakt die aanleiding geven om zijn asielaanvraag in Nederland in behandeling te nemen.
De beroepsgronden
4.1.
Eiser voert aan dat er ten onrechte een standaard voornemen is gebruikt door verweerder. Eiser wijst (opnieuw) op de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 16 oktober 2024 (ECLI:NL:RBDHA:2024:16732). De verwijzing van verweerder naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 23 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4348) is volgens eiser onvoldoende, omdat daaruit volgt dat een standaard voornemen gebruikt
kanworden. Uit voornoemde uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, volgt echter dat het voornemen als geheel voldoende moet zijn toegespitst op de individuele vreemdeling zodat eiser in staat is om inhoudelijk te reageren op de voorgenomen afwijzing en dat de Afdelingsuitspraak dat niet anders maakt. Eisers verklaringen zijn niet betrokken in het voornemen, waardoor hij concludeert dat sprake is van een onzorgvuldige besluitvorming.
4.2.
Verder stelt eiser zich op het standpunt dat er ten aanzien van Duitsland niet (langer) van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. De laatste uitspraak van de Afdeling waar verweerder naar verwijst dateert van 14 februari 2025. Eiser heeft echter verwezen naar bronnen van latere datum. Die bronnen zijn dus evident niet door de Afdeling betrokken. Eiser wijst nogmaals op de toelatingsstop van vreemdelingen die in Duitsland is ingesteld. Eiser verwijst nogmaals naar een bericht van InfoMigrants van
6 augustus 2025, een bericht van de NOS van 16 mei 2025, een bericht van het ECRE van 17 april 2025 en een bericht van Trouw van 2 juni 2025.
4.3.
Eiser voert tot slot aan dat verweerder de aanvraag op grond van artikel 17 van de Dublinverordening in behandeling had moeten nemen, omdat eiser bij terugkeer naar Duitsland onvoldoende bescherming kan krijgen van de Duitse autoriteiten. Het adres van eiser is bekend bij de personen die hem bedreigen, eiser heeft dit aangetoond. Onder verwijzing naar onder meer de uitspraak van de Afdeling van 12 juni 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2359, r.o. 6.3) betoogt eiser dat verweerder in dit kader niet mocht volstaan met de toets die in het kader van het interstatelijk vertrouwensbeginsel in uitgevoerd. Tot slot volgt uit het dossier van eiser dat hij een suïcidepoging heeft gedaan in Duitsland en dat hij kampt met psychische klachten. Bijna alle episodes van eiser zijn in zijn GZA dossier benoemd als ‘ernstig PTSS’. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn medische situatie maakt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden.
Het oordeel van de rechtbank
Standaard voornemen
5. Het voornemen is een voorbereidingshandeling en een mededeling van feitelijke aard, die niet is gericht op enig rechtsgevolg. Hierbij verwijst de rechtbank naar de uitspraak van de Afdeling van 23 november 2023 (ECLI:NL:RVS:2023:4348). Verweerder heeft eiser in kennis gesteld van het voornemen om de asielaanvraag niet in behandeling te nemen omdat Duitsland daarvoor verantwoordelijk wordt geacht. Het voornemen bevat alle dragende overwegingen. Eiser heeft door middel van het indienen van de zienswijze de gelegenheid gehad om op het voornemen te reageren. Verweerder heeft vervolgens alle argumenten uit de zienswijze en de verklaringen van eiser in het Dublingehoor (en de correcties en aanvullingen daarop) betrokken in het bestreden besluit. De rechtbank vindt deze handelswijze niet onzorgvuldig. Voor zover de zittingsplaats Roermond hierover anders heeft geoordeeld, ziet de rechtbank hierin geen aanleiding om af te wijken van de Afdelingsjurisprudentie op dit punt. De beroepsgrond slaagt niet.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Duitsland
6. De rechtbank stelt voorop dat de Afdeling in haar uitspraak van 8 oktober 2025 heeft geoordeeld dat er ten aanzien van Duitsland nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan (ECLI:NL:RVS:2025:4770). Deze uitspraak is van na de door eiser aangehaalde berichten van InfoMigrants, de NOS, het ECRE en Trouw. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank verder ook geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling over het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De rechtbank betrekt daarbij dat wat door eiser wordt aangevoerd in beroep een herhaling is van de zienswijze en verweerder hierop in het bestreden besluit al is ingegaan. Eiser heeft niet uitgelegd waarom deze motivering van verweerder inhoudelijk onjuist is. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat wat eiser heeft aangevoerd onvoldoende is om aannemelijk te maken dat sprake is van systematische tekortkomingen in het asielsysteem van Duitsland. Duitsland heeft met het claimakkoord aangegeven de asielaanvraag van eiser in behandeling te zullen nemen. Het is dan ook aan Duitsland om de inhoudelijke juistheid van de gestelde bedreigingen te beoordelen en eiser zo nodig asiel te verlenen. Verweerder moet er, gelet op het interstatelijk vertrouwensbeginsel, vanuit gaan dat Duitsland zich daarbij aan zijn internationale verplichtingen zal houden. Ook zal eiser gecontroleerd worden overgedragen, waardoor een asielaanvraag aan de Duitse grens niet aan de orde is. Verder stelt verweerder terecht dat voor zover eiser stelt dat Duitsland zich niet houdt aan de Opvang-, Kwalificatie- en Procedurerichtlijnen, uit vaste jurisprudentie volgt dat eiser hierover kan klagen bij de autoriteiten van Duitsland. Daarnaast is terecht overwogen dat Duitsland partij is bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) en dat eiser bij voorkomende problemen (zoals de eerdere en nieuwe bedreigingen aan zijn adres) de autoriteiten van Duitsland of de daarvoor geschikte instanties van Duitsland kan benaderen. Eiser heeft met zijn niet-onderbouwde stelling dat de politie hem niet wil helpen, onvoldoende aannemelijk gemaakt dat die mogelijkheid voor hem niet bestaat.
6.1.
De beroepsgrond slaagt niet.
Artikel 17 van de Dublinverordening
7. Verweerder geeft onder meer toepassing aan artikel 17 van de Dublinverordening als bijzondere, individuele omstandigheden maken dat de overdracht van een vreemdeling van onevenredige hardheid getuigt. Dit is een discretionaire bevoegdheid waarvan verweerder op grond van zijn beleid terughoudend gebruik maakt. Verweerder stelt zich in dit geval niet ten onrechte op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat sprake is van zulke bijzondere, individuele omstandigheden. Verweerder heeft in dit kader kunnen verwijzen naar de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en de omstandigheden die daarin zijn betrokken, zoals de mogelijkheid de Duitse autoriteiten te benaderen vanwege de gestelde bedreigingen (zie de uitspraken van de Afdeling van
25 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:717 en 27 maart 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1250). Ook heeft verweerder in eisers medische en psychische problematiek geen aanleiding hoeven zien om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken. Eiser heeft tijdens de zitting verduidelijkt dat er geen beroep op het arrest C.K. wordt gedaan. Eisers verklaring dat hij eerder in Duitsland een suïcidepoging heeft gedaan heeft hij niet onderbouwd, en dat hij in Nederland meteen medische zorg heeft gezocht vanwege zijn psychische klachten heeft verweerder ook onvoldoende kunnen vinden om de asielaanvraag onverplicht aan zich te trekken. Op grond van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag verweerder ervan uitgaan dat Duitsland dezelfde medische verzorgingsmogelijkheden heeft als Nederland. Ook heeft eiser niet onderbouwd dat hij in Duitsland geen toegang tot medische zorg of een passende medische behandeling kan krijgen voor zijn hernia en PTSS.
7.1.
De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft en dat eiser kan worden overgedragen naar Duitsland.
9. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. E.C. Harting, rechter, in aanwezigheid van
mr.T.M.M. Plukaard, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.