ECLI:NL:RBDHA:2025:24542

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
19 december 2025
Zaaknummer
AWB 25/19545
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:3 AwbArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 44 Vreemdelingenwet 2000Art. 7 Rva
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd in zaak stopzetting verstrekkingen COA

Verzoekster, aan wie een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend, verzet zich tegen de stopzetting van verstrekkingen door het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (COA), waaronder opvang. Verweerder beëindigde de verstrekkingen nadat verzoekster passende huisvesting buiten de opvang weigerde, vanwege een scheiding in verband met huiselijk geweld. Verzoekster bleef in de opvang, waarna een ontruimingsprocedure werd gestart.

De voorzieningenrechter overweegt dat de beëindiging van verstrekkingen een gevolg is dat van rechtswege intreedt bij het verkrijgen van een verblijfsvergunning en het realiseren van passende huisvesting. De mededeling van verweerder is geen besluit in de zin van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), maar slechts een mededeling van een intredend rechtsgevolg. Ook de ontruimingsprocedure heeft een civielrechtelijk karakter en is geen bestuursrechtelijke handeling.

Verzoekster beroept zich op eerdere jurisprudentie, maar de voorzieningenrechter oordeelt dat die niet vergelijkbaar is omdat in die zaken het recht op opvang niet van rechtswege eindigde. Gezien deze overwegingen verklaart de voorzieningenrechter zich onbevoegd om op het verzoek om voorlopige voorziening te beslissen. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd om te beslissen over het verzoek om voorlopige voorziening tegen de stopzetting van verstrekkingen door het COA.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: AWB 25/19545

uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 november 2025 in de zaak tussen

[verzoekster], V-nummer: [v-nummer], verzoekster

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, verweerder

(gemachtigde: [naam])

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekster hangende haar beroep tegen de stopzetting van de Rva [1] -verstrekkingen, waaronder de opvang, door verweerder.
1.1.
Verweerder heeft op 19 september 2025 de verstrekkingen beëindigd. Verzoekster heeft hiertegen beroep ingesteld.
1.2.
Verweerder heeft op het verzoek gereageerd.
1.3.
De voorzieningenrechter kan uitspraak doen zonder dat partijen worden uitgenodigd om op een zitting te verschijnen indien onverwijlde spoed dat vereist en partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad. [2] Na kennisname van de stukken en gelet op het feit dat op 7 november 2025 een kort geding plaatsvindt over de ontruiming van verzoekster uit de opvang, ziet de voorzieningenrechter aanleiding om van deze bevoegdheid gebruik te maken.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Waar gaat deze zaak over?
2. De minister van Asiel en Migratie heeft aan verzoekster een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd verleend. Verweerder heeft aan eiseres samen met haar echtgenoot een woning aangeboden op 19 september 2025. Eiseres heeft deze woning geweigerd omdat zij wil scheiden van haar echtgenoot in verband met huiselijk geweld. Omdat naar het oordeel van verweerder sprake is van passende huisvesting, heeft verweerder de verstrekkingen beëindigd. Verzoekster heeft het asielzoekerscentrum echter niet verlaten, en verweerder is een ontruimingsprocedure gestart. Op 7 november 2025 vindt een kort geding plaats bij de civiele rechter. Verzoekster stelt zich op het standpunt dat zij ook bij de bestuursrechter de beëindiging van de verstrekkingen kan aanvechten, en verzoekt de voorzieningenrechter om een voorlopige voorziening te treffen waarin verweerder opgedragen wordt de verstrekkingen te continueren totdat op haar beroep is beslist.
Wat is het oordeel van de voorzieningenrechter?
3. Wanneer beroep is ingesteld bij de bestuursrechter, kan de voorzieningenrechter van de bestuursrechter die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. [3]
4. De voorzieningenrechter zal zich onbevoegd verklaren, omdat naar haar voorlopig oordeel de bestuursrechter niet bevoegd is in de hoofdzaak.
4.1.
De beëindiging van de verstrekkingen is in dit geval een gevolg dat van rechtswege intreedt doordat aan verzoekster een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd is verleend. [4] Dit rechtsgevolg treedt in op de dag waarop naar het oordeel van verweerder passende huisvesting buiten de opvangvoorziening kan worden gerealiseerd. [5] De mededeling van verweerder dat de verstrekkingen zijn beëindigd en verzoekster de opvang moet verlaten, is alleen een mededeling van de van rechtswege ingetreden of intredende gevolgen en is daarmee niet op een rechtsgevolg gericht. [6] De mededeling van verweerder van 19 september 2025 dat de verstrekkingen worden beëindigd, is dan ook geen besluit als bedoeld in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb.
4.2.
Voor zover verzoekster met de verwijzing naar de uitspraak van de rechtbank Limburg van 2 september 2021 [7] een beroep heeft willen doen op de in die uitspraak genoemde uitspraak van de hoogste bestuursrechter van 6 januari 2020 [8] , overweegt de rechtbank dat dit geen vergelijkbare zaak betreft. In die uitspraak was het recht op opvang namelijk niet van rechtswege geëindigd, omdat de betrokkene in die zaak na de niet-ontvankelijkverklaring van zijn asielverzoek nog rechtmatig verblijf had gedurende de termijn voor het instellen van beroep. Omdat het recht op opvang niet van rechtswege was geëindigd, was de mededeling van verweerder in die zaak wel gericht op rechtsgevolgen. Het beroep hierop slaagt dan ook niet.
4.3.
Verder is de mededeling van verweerder dat de verstrekkingen worden beëindigd ook geen rechtens relevante handeling van verweerder in de in van artikel 5, tweede lid van de Wet Centraal Orgaan opvang asielzoekers (hierna: de Wet COa). De handelingen van verweerder in het kader van beëindiging van de verstrekkingen, strekken namelijk alleen tot uitvoering van de onder 4.1. genoemde rechtsgevolgen. De start van een ontruimingsprocedure is ook niet aan te merken als een rechtens relevante handeling van verweerder in de zin van artikel 5, tweede lid, van de Wet COa, omdat dit een civielrechtelijk karakter heeft.
Conclusie en gevolgen
5. De voorzieningenrechter is niet bevoegd om te beslissen op het verzoek om voorlopige voorziening. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter verklaart zich onbevoegd.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Bakker, griffier.
De beslissing is op 6 november 2025 telefonisch medegedeeld aan partijen.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva).
2.Artikel 8:83, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb).
3.Artikel 8:81, eerste lid, van de Awb.
4.Artikel 44, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000.
5.Artikel 7, eerste lid, aanhef en onder a, van de Rva.
6.Vergelijk de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) van 22 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:925.
8.Uitspraak van de Afdeling van 6 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:8.