ECLI:NL:RBDHA:2025:24222

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
25/1662
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen niet-ontvankelijk verklaring van bezwaar wegens te late indiening

In deze zaak heeft eiseres beroep ingesteld tegen een besluit van het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, waarbij haar bezwaar tegen de afwijzing van haar aanvraag voor een gehandicaptenparkeerplaats niet-ontvankelijk is verklaard omdat het te laat was ingediend. De rechtbank heeft op 4 december 2025 uitspraak gedaan en geoordeeld dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Eiseres had haar bezwaarschrift pas op 18 december 2024 ingediend, terwijl de termijn voor indiening op 28 oktober 2024 was verstreken. De rechtbank heeft vastgesteld dat de termijnoverschrijding aan eiseres kan worden toegerekend, aangezien zij in de veronderstelling verkeerde dat het bezwaarschrift op tijd was verzonden, terwijl dit in haar mailbox als concept was blijven hangen. De rechtbank heeft geconcludeerd dat er geen bijzondere omstandigheden waren die de termijnoverschrijding verontschuldigbaar maakten. Hierdoor is het beroep ongegrond verklaard en heeft eiseres geen recht op terugbetaling van griffierecht of vergoeding van proceskosten. De uitspraak is openbaar gedaan en partijen zijn op de hoogte gesteld van de mogelijkheid tot hoger beroep.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 25/1662

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres], uit [woonplaats], eiseres

en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

(gemachtigde: mr. M.H.F. Bucx).

Samenvatting

1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het besluit waarbij haar bezwaar niet-ontvankelijk is verklaard omdat het bezwaar te laat was ingediend. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college het bezwaar terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard vanwege de te late indiening. Eiseres krijgt dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 13 september 2024 (het primaire besluit) heeft het college de aanvraag van eiseres om een gehandicaptenparkeerplaats ten behoeve van een bestuurder afgewezen. Met het bestreden besluit van 17 februari 2025 heeft het college het bezwaar van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat het te laat is ingediend.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft partijen laten weten dat zij een zitting niet nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting. [1]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Eiseres heeft op 25 juni 2024 een aanvraag ingediend voor een individuele gehandicaptenparkeerplaats ten behoeve van een bestuurder. Het college heeft eiseres bij brief van 14 augustus 2024 laten weten voornemens te zijn de aanvraag af te wijzen, omdat uit het Sociaal Medisch Advies van 7 mei 2024 volgt dat eiseres – met of zonder hulpmiddelen – meer dan 50 meter kan lopen. Eiseres heeft hierop gereageerd met een zienswijze. Het college heeft vervolgens met het primaire besluit de aanvraag afgewezen. Eiseres heeft tegen dit besluit een bezwaarschrift ingediend op 18 december 2024. Bij brief van 10 januari 2025 heeft het college aan eiseres verzocht om aan te geven waarom zij het bezwaarschrift te laat heeft ingediend. Op 14 januari 2025 heeft eiseres op deze brief gereageerd. Vervolgens heeft het college het bestreden besluit genomen waarbij het bezwaar van eiseres kennelijk niet-ontvankelijk is verklaard. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat de termijn om bezwaar in te dienen verliep op 25 oktober 2024. Dat het bezwaarschrift als concept was blijven hangen in de mailbox van eiseres komt voor haar eigen risico. Dit maakt dat de termijnoverschrijding verwijtbaar is, aldus het college.
Wat oordeelt de rechtbank?
4. Voor het indienen van een bezwaarschrift geldt een termijn van zes weken. [2] Deze termijn begint op de dag na de dag waarop het besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze is bekendgemaakt. [3] Een bezwaarschrift is op tijd ingediend wanneer het voor het einde van de termijn is ontvangen. [4]
4.1.
Het primaire besluit is bekendgemaakt door verzending aan eiseres op
13 september 2024. Dit betekent dat het bezwaarschrift uiterlijk op 26 oktober 2024 ingediend had moeten zijn. Dit was op een zaterdag, zodat de termijn volgens de regels van de Algemene termijnenwet werd verlengd tot de eerst volgende werkdag, namelijk tot
28 oktober 2024. Eiseres heeft het bezwaarschrift pas op 18 december 2024 ingediend. Het bezwaarschrift is dus ruim na afloop van de termijn ingediend.
4.2.
Als iemand een bezwaarschrift te laat indient, is het bezwaar niet-ontvankelijk. Dat is alleen anders als er een reden is op grond waarvan moet worden geoordeeld dat de termijnoverschrijding de indiener niet kan worden toegerekend. In dat geval laat het college de niet-ontvankelijk verklaring op grond van de te late indiening achterwege. [5] Daarvan is volgens vaste rechtspraak alleen sprake bij bijzondere omstandigheden. [6]
4.3.
Bij bijzondere omstandigheden die de indiener betreffen kan in de eerste plaats gedacht worden aan persoonlijke omstandigheden aan de zijde van de indiener zelf, zoals psychisch onvermogen, ernstige ziekte of ongeval van de indiener, of ziekte of overlijden van diens naasten en de zorgtaken die daarmee gepaard gaan. In de tweede plaats valt te denken aan externe omstandigheden die voor overbelasting of stress bij de indiener zorgen.
4.4.
Eiseres voert aan dat zij in de veronderstelling verkeerde dat het bezwaarschrift op tijd verzonden was, terwijl dit eigenlijk in de map met concepten in haar mailbox is blijven hangen. Dit is geen bijzondere omstandigheid zoals beschreven onder 4.3.. Het is de verantwoordelijkheid van eiseres om na te gaan of het bericht is verzonden.
4.5.
Het te laat indienen van het bezwaarschrift kan dus aan eiseres worden toegerekend. De termijnoverschrijding is daarom niet verontschuldigbaar. Het college heeft dus het bezwaarschrift terecht niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank komt dan ook niet toe aan een inhoudelijke beoordeling van de zaak. Daarom gaat zij niet in op de beroepsgronden van eiseres die betrekking hebben op de afwijzing van de aanvraag om een gehandicaptenparkeerplaats.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk.
2.Dit volgt uit artikel 6:7 van de Awb.
3.Dit volgt uit artikel 6:8, eerste lid, van de Awb.
4.Dit volgt uit artikel 6:9, eerste lid, van de Awb..
5.Dit volgt uit artikel 6:11 van de Awb.
6.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 8 mei 2024, ECLI:NL:CRVB:2024:932 in navolging van de uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 30 januari 2024, ECLI:NL:CBB:2024:31.