Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:24215

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
24/8362
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Wet maatschappelijke ondersteuning 2015Art. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij beëindiging huishoudelijke ondersteuning

Eiser maakte bezwaar tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Leiden om de maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning te beëindigen. Deze voorziening was toegekend voor de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2024 en was omgezet van een persoonsgebonden budget naar zorg in natura. Het college beëindigde de voorziening per 15 maart 2024 omdat eiser geen gebruik maakte van de zorg in natura en niet reageerde op verzoeken om een zorgaanbieder aan te geven.

De rechtbank stelde ambtshalve de vraag of eiser een procesbelang had bij de inhoudelijke beoordeling van het beroep. Volgens vaste rechtspraak is procesbelang aanwezig als het resultaat van het beroep daadwerkelijk kan worden bereikt en betekenis heeft voor de indiener. In dit geval betreft het een reeds verstreken periode en is het besluit over de omzetting van pgb naar zorg in natura in rechte onherroepelijk vastgesteld.

De rechtbank oordeelde dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling omdat hij met het beroep niet kan bewerkstelligen dat de huishoudelijke ondersteuning opnieuw wordt toegekend. Hiervoor moet een nieuwe aanvraag worden ingediend. Ook is niet gebleken dat eiser schade heeft geleden door de beëindiging of dat een inhoudelijk oordeel van belang is voor de toekomst.

Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees zij het verzoek om griffierechtteruggave en proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door rechter C.J. Waterbolk op 4 december 2025.

Uitkomst: Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van procesbelang.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8362

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: R.P. Dielbandhoesing),
en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, het college

(gemachtigde: O.J. Massalova).

Samenvatting

1. Eiser is het niet eens met de beëindiging van de huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) en heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 15 maart 2024 heeft het college de maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning in de vorm van zorg in natura beëindigd omdat eiser geen gebruik maakte van deze voorziening. Met het bestreden besluit van 17 september 2024 op het bezwaar van eiser heeft het college het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Partijen waren hierbij - zonder voorafgaande kennisgeving - niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser ontving een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning over de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2024. De voorziening was aanvankelijk verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Met het besluit van
11 december 2018 heeft het college de leveringsvorm gewijzigd naar zorg in natura met ingang van 1 januari 2019. De rechtbank heeft het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard. [1] De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft het daartegen ingestelde hoger beroep wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. [2] Dit betekent dat het besluit van 11 december 2018 in rechte vast staat. Uit onderzoek van het college is gebleken dat eiser geen gebruik maakte van de voorziening huishoudelijke ondersteuning in zorg in natura. Eiser is meerdere keren verzocht om aan te geven van welke zorgaanbieder hij de ondersteuning wenst te ontvangen. Eiser heeft hier niet op gereageerd. Hierdoor is de huishoudelijke ondersteuning nooit opgestart. Dit heeft ertoe geleid dat het college de voorziening heeft beëindigd met ingang van 15 maart 2024.
4. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser een procesbelang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.
4.1.
Het is vaste rechtspraak [3] dat pas sprake is van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van procesbelang. Het geschil betreft namelijk de beoordeling van een voorziening over een reeds verstreken periode. De maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning was namelijk toegekend voor de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2024. Het college heeft de voorziening beëindigd per 15 maart 2024. Eiser is het er nog steeds niet mee eens dat het pgb destijds is omgezet naar zorg in natura, maar het besluit daarover staat in rechte vast en kan in deze procedure niet opnieuw aan de orde worden gesteld. Met dit beroep kan eiser evenmin bewerkstelligen dat aan hem opnieuw huishoudelijke ondersteuning wordt toegekend. Hiertoe moet eiser een nieuwe aanvraag indienen. Het is niet gebleken dat eiser door de voortijdige beëindiging van de maatwerkvoorziening schade heeft geleden. Ook is niet gebleken dat een inhoudelijk oordeel van belang is voor een toekomstige periode. Eiser heeft daarom geen belang bij de inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang. Dat betekent dat het beroep niet inhoudelijk beoordeeld wordt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van
mr.F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.SGR 19/3272.
2.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2020:2655.
3.Zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.