ECLI:NL:RBDHA:2025:24215

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
24/8362
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling van procesbelang bij beëindiging van huishoudelijke ondersteuning onder de Wmo

In deze zaak heeft eiser beroep ingesteld tegen de beëindiging van zijn huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). De rechtbank heeft op 4 december 2025 geoordeeld dat eiser geen procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep, omdat het geschil betrekking heeft op een voorziening over een reeds verstreken periode. Eiser ontving de maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2024, maar het college van burgemeester en wethouders van Leiden heeft deze voorziening per 15 maart 2024 beëindigd, omdat eiser geen gebruik maakte van de ondersteuning. Eiser heeft geen reactie gegeven op verzoeken van het college om aan te geven van welke zorgaanbieder hij ondersteuning wenste te ontvangen, waardoor de ondersteuning nooit is opgestart.

De rechtbank heeft vastgesteld dat er geen procesbelang is, omdat het geschil over een reeds verstreken periode gaat en een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit geen betekenis heeft voor eiser. De rechtbank heeft ook opgemerkt dat het besluit van 11 december 2018, waarbij de leveringsvorm van de ondersteuning werd gewijzigd van persoonsgebonden budget naar zorg in natura, in rechte vaststaat en niet opnieuw kan worden aangevochten. Eiser kan een nieuwe aanvraag indienen voor huishoudelijke ondersteuning, maar kan met dit beroep niet bewerkstelligen dat hem opnieuw ondersteuning wordt toegekend.

Uiteindelijk heeft de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk verklaard, wat betekent dat er geen inhoudelijke beoordeling van de zaak plaatsvond. Eiser krijgt geen griffierecht terug en ook geen vergoeding van proceskosten. De uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier, en is openbaar uitgesproken op 4 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/8362

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: R.P. Dielbandhoesing),
en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden, het college

(gemachtigde: O.J. Massalova).

Samenvatting

1. Eiser is het niet eens met de beëindiging van de huishoudelijke ondersteuning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning 2015 (Wmo) en heeft daartegen beroep ingesteld. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser geen belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het beroep wordt daarom niet-ontvankelijk verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Met het besluit van 15 maart 2024 heeft het college de maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning in de vorm van zorg in natura beëindigd omdat eiser geen gebruik maakte van deze voorziening. Met het bestreden besluit van 17 september 2024 op het bezwaar van eiser heeft het college het bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
2.1.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 13 november 2025 op zitting behandeld. Partijen waren hierbij - zonder voorafgaande kennisgeving - niet aanwezig.

Beoordeling door de rechtbank

3. Eiser ontving een maatwerkvoorziening voor huishoudelijke ondersteuning over de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2024. De voorziening was aanvankelijk verstrekt in de vorm van een persoonsgebonden budget (pgb). Met het besluit van
11 december 2018 heeft het college de leveringsvorm gewijzigd naar zorg in natura met ingang van 1 januari 2019. De rechtbank heeft het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard. [1] De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft het daartegen ingestelde hoger beroep wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard. [2] Dit betekent dat het besluit van 11 december 2018 in rechte vast staat. Uit onderzoek van het college is gebleken dat eiser geen gebruik maakte van de voorziening huishoudelijke ondersteuning in zorg in natura. Eiser is meerdere keren verzocht om aan te geven van welke zorgaanbieder hij de ondersteuning wenst te ontvangen. Eiser heeft hier niet op gereageerd. Hierdoor is de huishoudelijke ondersteuning nooit opgestart. Dit heeft ertoe geleid dat het college de voorziening heeft beëindigd met ingang van 15 maart 2024.
4. De rechtbank ziet zich ambtshalve voor de vraag gesteld of eiser een procesbelang heeft bij de inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.
4.1.
Het is vaste rechtspraak [3] dat pas sprake is van (voldoende) procesbelang als het resultaat dat de indiener van een bezwaar- of beroepschrift met het maken van bezwaar of het indienen van (hoger) beroep nastreeft, daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden.
4.2.
De rechtbank is van oordeel dat in dit geval geen sprake is van procesbelang. Het geschil betreft namelijk de beoordeling van een voorziening over een reeds verstreken periode. De maatwerkvoorziening huishoudelijke ondersteuning was namelijk toegekend voor de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2024. Het college heeft de voorziening beëindigd per 15 maart 2024. Eiser is het er nog steeds niet mee eens dat het pgb destijds is omgezet naar zorg in natura, maar het besluit daarover staat in rechte vast en kan in deze procedure niet opnieuw aan de orde worden gesteld. Met dit beroep kan eiser evenmin bewerkstelligen dat aan hem opnieuw huishoudelijke ondersteuning wordt toegekend. Hiertoe moet eiser een nieuwe aanvraag indienen. Het is niet gebleken dat eiser door de voortijdige beëindiging van de maatwerkvoorziening schade heeft geleden. Ook is niet gebleken dat een inhoudelijk oordeel van belang is voor een toekomstige periode. Eiser heeft daarom geen belang bij de inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is niet-ontvankelijk vanwege het ontbreken van procesbelang. Dat betekent dat het beroep niet inhoudelijk beoordeeld wordt. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.J. Waterbolk, rechter, in aanwezigheid van
mr.F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.SGR 19/3272.
2.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 21 oktober 2022, ECLI:NL:CRVB:2020:2655.
3.Zie onder meer de uitspraak van de CRvB van 8 april 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:887.