Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2020:2655

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 oktober 2020
Publicatiedatum
29 oktober 2020
Zaaknummer
20/736 WMO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:7 AwbArt. 6:8 AwbArt. 6:9 AwbArt. 6:11 AwbArt. 6:24 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens niet tijdig indienen beroepschrift WMO

De appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Den Haag inzake de Wet maatschappelijke ondersteuning (WMO). Het beroepschrift werd op 20 februari 2020 ontvangen, terwijl de beroepstermijn zes weken bedroeg en het beroepschrift uiterlijk op 23 januari 2020 ter post bezorgd had moeten zijn. De poststempel op de enveloppe toonde aan dat het beroepschrift pas op 19 februari 2020 ter post was bezorgd.

De gemachtigde van appellant voerde aan dat het beroepschrift op 3 februari 2020 per gewone post was verzonden en verwees naar een slechte dienstverlening van Post.nl. Ook gaf hij aan het beroepschrift niet aangetekend te hebben verzonden vanwege een eerdere negatieve ervaring met aangetekende post. Deze stellingen werden door de Raad niet als voldoende bewijs voor tijdige verzending geaccepteerd.

De Raad merkt op dat volgens vaste rechtspraak de datum van het poststempel bepalend is voor de dag van ter post bezorging, tenzij aannemelijk wordt gemaakt dat dit eerder was. Omdat het beroepschrift niet binnen de termijn was ontvangen en ook niet binnen een week na afloop van de termijn, is het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en besluit zonder verder onderzoek.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige indiening van het beroepschrift.

Uitspraak

Datum uitspraak: 21 oktober 2020
20/736 WMO, 20/737 WMO
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
Uitspraak als bedoeld in de artikelen 8:54 en 8:108 van de Algemene wet bestuursrecht in verband met het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van
17 december 2019, 19/3272, 19/3274 (aangevallen uitspraak)
Partijen:
[appellant] te [woonplaats] (appellant)
het college van burgemeester en wethouders van Leiden

PROCESVERLOOP

Mr. drs. R.P. Dielbandhoesing heeft als gemachtigde van appellant hoger beroep ingesteld.

OVERWEGINGEN

Ingevolge artikel 6:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in samenhang met de artikelen 6:7, 6:8, 6:9 en 6:11 van die wet geldt het volgende.
De termijn voor het indienen van een beroepschrift bedraagt zes weken. Deze termijn gaat in met ingang van de dag na die waarop de aangevallen uitspraak door middel van de toezending van een afschrift aan partijen is bekendgemaakt.
Een beroepschrift is tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn is ontvangen. Bij verzending per post is een beroepschrift tijdig ingediend indien het voor het einde van de termijn ter post is bezorgd, mits het niet later dan een week na afloop van de termijn is ontvangen.
De uitspraak waartegen hoger beroep is ingesteld is op 23 december 2019 per aangetekende post in afschrift aan partijen toegezonden.
Het beroepschrift is op 20 februari 2020 ontvangen. Het is, gezien de poststempel op de enveloppe, op 19 februari 2020 ter post bezorgd.
Op grond hiervan moet worden geoordeeld dat het beroepschrift niet tijdig is ingediend.
Ten aanzien van een na afloop van de beroepstermijn ingediend beroepschrift blijft niet‑ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
De gemachtigde van appellant heeft in het beroepschrift als reden voor de termijnoverschrijding van het beroepschrift aangegeven het beroepschrift op 3 februari 2020 tussen 16:30 en 17:00 uur per gewone post te hebben verzonden en merkt daarbij op dat de dienstverlening van Post.nl verbeterd kan worden.
Bij schrijven van 17 april 2020 ontvangt de Raad een nadere motivering van de gemachtigde van appellant van gelijke strekking. Als aanvulling wordt aangevoerd dat het beroepschrift van 3 februari 2020 niet aangetekend is verzonden vanwege een recente ervaring waarin hij zijn zoon opdracht had gegeven een brief voor hem aangetekend te versturen en hij deze brief retour ontving.
Wat namens appellant is aangevoerd, bevat geen grond waarop redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.
Volgens vaste rechtspraak van de Raad wordt bij de vaststelling van de dag waarop een brief ter post is bezorgd, uitgegaan van het op de enveloppe geplaatste poststempel, tenzij de verzender aannemelijk maakt dat de brief op een eerdere datum ter post is bezorgd. De enkele stelling van de gemachtigde van appellant dat hij het hoger beroepschrift tijdig heeft ingediend, is daarvoor niet toereikend.
De Raad merkt op dat het hoger beroepschrift ook niet binnen een week na afloop van de termijn bij de Raad is ontvangen.
Het hoger beroep is kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek kan worden beslist.
Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door H. Benek, in tegenwoordigheid van E. Blijleven-de Vries als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2020.
(getekend) H. Benek
(getekend) E. Blijleven-de Vries
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld te worden gehoord.