ECLI:NL:RBDHA:2025:24202

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
20 oktober 2025
Publicatiedatum
17 december 2025
Zaaknummer
24/6400
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag IOAZ-uitkering wegens niet voldoen aan urencriterium en tijdige aanvraag

In deze zaak heeft de rechtbank Den Haag op 20 oktober 2025 uitspraak gedaan in een geschil over de afwijzing van een aanvraag voor een uitkering op grond van de IOAZ (Wet inkomensvoorziening ouderen en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen). Eiseres, een voormalige zelfstandige tandarts, had op 15 februari 2024 een aanvraag ingediend, maar deze werd afgewezen door het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn. De afwijzing was gebaseerd op het feit dat eiseres niet voldeed aan het urencriterium van 1225 uur per jaar en dat haar bedrijf niet tijdig was beëindigd voor de aanvraag. De rechtbank heeft de beroepsgronden van eiseres beoordeeld en geconcludeerd dat het college terecht de aanvraag heeft afgewezen. Eiseres had in 2023 niet aan het urencriterium voldaan en bovendien was haar aanvraag ingediend na de beëindiging van haar bedrijf. De rechtbank oordeelde dat er geen bijzondere omstandigheden waren die aanleiding gaven om van de wettelijke bepalingen af te wijken. De uitspraak benadrukt het belang van het urencriterium en de tijdige indiening van aanvragen voor de IOAZ-uitkering. Eiseres kreeg geen gelijk en het beroep werd ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Bestuursrecht
zaaknummer: SGR 24/6400

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 20 oktober 2025 in de zaak tussen

[eiseres], eiseres, uit [woonplaats] ,

(gemachtigde: [naam 1] )
en

het college van burgemeester en wethouders van Alphen aan den Rijn, het college

(gemachtigde: [naam 2] ).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiseres om een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening ouderen en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (IOAZ). Eiseres is het niet eens met de afwijzing van haar aanvraag. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de aanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de aanvraag van eiseres terecht heeft afgewezen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiseres heeft op 15 februari 2024 een aanvraag ingediend voor een uitkering op grond van de IOAZ. Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 17 maart 2024 afgewezen. Met het bestreden besluit van 9 juli 2024 op het bezwaar van eiseres is het college bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
2.1.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.2.
De rechtbank heeft het beroep op 8 september 2025 op zitting behandeld. Hierbij is [naam 1] , de bewindvoerder en gemachtigde van eiseres, verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
3. Bij beschikking van de rechtbank Rotterdam van 15 november 1999 is [naam 1] benoemd tot bewindvoerder van eiseres.
3.1.
Eiseres, geboren in 1962, werkte tot 2023 als zelfstandige. Zij werkte als waarnemend tandarts in verschillende praktijken. Vanwege de verslechtering van haar gezondheid kan zij haar werkzaamheden niet langer uitoefenen. Eiseres heeft zich daarom op 2 februari 2024 bij het college gemeld voor een uitkering op grond van de IOAZ. Op 15 februari 2024 heeft zij de aanvraag ingediend. Het college heeft de aanvraag afgewezen omdat eiseres niet voldoet aan de voorwaarde gesteld in artikel 2, vijfde lid, van de IOAZ. Zij voldeed in 2023 namelijk niet aan het urencriterium van 1225 uur op jaarbasis.
3.2.
Met het bestreden besluit heeft het college het bezwaar van eiseres ongegrond verklaard. Het college heeft hieraan ten grondslag gelegd dat het urencriterium betrekking heeft op het jaar voorafgaande aan de aanvraag, in dit geval dus 2023. Ook wanneer naar het jaar daaraan voorafgaand wordt gekeken, komt eiseres niet in aanmerking voor de IOAZ. Zij voldoet namelijk al langere tijd niet aan de minimumomvang van 1225 uur op jaarbasis. Daarnaast voldoet eiseres niet aan de voorwaarde dat haar beroep of bedrijf moet zijn beëindigd voordat de aanvraag is gedaan. Uit het register van de Kamer van Koophandel volgt namelijk dat eiseres haar bedrijf al vanaf 1 februari 2024 heeft opgeheven en uitgeschreven. Het college is van mening dat de belangen voldoende zijn afgewogen en verkend is of maatwerk kan worden toegepast.
Wat oordeelt de rechtbank?
4. Eiseres voert aan dat zij tot en met 2019 aan het urencriterium voldeed. Daarna is haar gezondheid achteruit gegaan en is zij steeds minder gaan werken. De indruk was dat dit tijdelijk zou zijn, maar sindsdien heeft zij niet meer voldoende uren kunnen werken. Als zij op dat moment een aanvraag had gedaan, zou de uitkering wel zijn toegekend. Omdat het langzaamaan steeds slechter met haar ging, is ongemerkt het moment voorbij gegaan dat zij nog wel aan het urencriterium voldeed.
4.1.
Voor het urencriterium uit artikel 2, vijfde lid, van de IOAZ geldt dat aansluiting moet worden gezocht bij de situatie in het jaar voorafgaande aan de aanvraag. [1] In geval van eiseres is dit 2023. Niet in geschil is dat eiseres in 2023 niet voldeed aan het urencriterium, zodat eiseres ten tijde van de aanvraag geen oudere gewezen zelfstandige was en dus niet tot de kring van belanghebbenden van de IOAZ behoorde.
4.2.
Het college heeft vervolgens gekeken of eiseres in aanmerking zou kunnen komen voor een IOAZ-uitkering wanneer de peildatum een jaar wordt verschoven. Eiseres voldeed echter sinds 2019 niet meer aan het urencriterium. Daarom kan dit niet tot een ander oordeel leiden. Bovendien moet dit worden gezien als een onverplichte, coulancehalve beoordeling die zich aan het rechterlijk oordeel onttrekt, nu dit niet berust op een beleidsregel of een vaste gedragslijn van het college.
4.3.
Eiseres voert verder aan dat zij zich op 25 april 2024 bij de Kamer van Koophandel heeft laten uitschrijven omdat dit noodzakelijk was voor het verkrijgen van de IOAZ-uitkering. Eiseres heeft als beëindigingsdatum de datum van de laatste feitelijke activiteiten opgegeven in plaats van de datum waarop ze zich heeft laten uitschrijven. In de tussentijd heeft ze nog wel gesolliciteerd, maar geen opdrachten gehad. Omdat die datum van belang is voor de uitkering heeft zij de Kamer van Koophandel gevraagd om de datum te herstellen, maar die waren hiertoe niet bereid.
4.4.
Ingevolge artikel 5, aanhef en onder het vierde lid, van de IOAZ geldt dat de aanvraag moet zijn ingediend vóór het beëindigen van het bedrijf of beroep.
4.5.
Uit de gegevens van de Kamer van Koophandel blijkt dat eiseres haar werkzaamheden sinds 1 februari 2024 heeft opgeheven. Eiseres heeft zich op 2 februari 2024 gemeld bij het college en op 15 februari 2024 een aanvraag ingediend. Hieruit volgt dat eiseres niet aan de gestelde eis van een tijdige aanvraag voldoet.
4.6.
Gelet op het voorgaande heeft het college terecht geconcludeerd dat eiseres niet voldoet aan de voorwaarden voor de IOAZ-uitkering zoals deze voortvloeien uit de wet.
4.7.
Eiseres voert in dat kader aan dat zij wel tot de doelgroep van de regeling hoort, ook al voldoet zij niet aan de formele eisen. Het is daarom onredelijk dat het college bij de beoordeling van het urencriterium streng vasthoudt aan het urencriterium van 1225 uur. Ook bij beoordeling van de meldingsdatum laat het college een kleine vergissing zwaar meewegen. De gevolgen van de afwijzing zij voor eiseres onevenredig met het doel van de regeling. De afwijzing is daarom in strijd met het evenredigheidsbeginsel, aldus eiseres.
4.8.
Wat eiseres aanvoert komt er op neer dat het evenredigheidsbeginsel mee zou brengen dat de hierboven benoemde bepalingen uit de IOAZ in haar geval niet moeten worden toegepast. Het toetsingsverbod van artikel 120 van de Grondwet staat er echter aan in de weg dat de bestuursrechter toetst of die bepalingen strijd met het evenredigheidsbeginsel opleveren, omdat de IOAZ een wet in formele zin is. Toepassing van deze bepalingen kan alleen achterwege blijven als sprake is van bijzondere omstandigheden die niet of niet ten volle zijn verdisconteerd in de afweging van de wetgever. Dan kan aanleiding bestaan om tot een andere uitkomst te komen dan waartoe toepassing van de wettelijke bepaling leidt. Dat is het geval indien die niet verdisconteerde bijzondere omstandigheden de toepassing van de wettelijke bepaling zozeer in strijd doen zijn met algemene rechtsbeginselen of (ander) ongeschreven recht dat die toepassing achterwege moet blijven. Dit wordt ‘contra legem’-toepassing van het evenredigheidsbeginsel genoemd. [2] Dat zulke bijzondere omstandigheden zich voordoen, kan slechts bij hoge uitzondering worden aangenomen. [3]
4.9.
Hiervan is de rechtbank niet gebleken. De rechtbank is van oordeel dat er voor het college geen aanleiding is om van de regels omtrent het urencriterium of het moment van uitschrijving bij de Kamer van Koophandel af te wijken, hoe ongelukkig dit voor eiseres ook uitpakt. De ratio van het evenredigheidsbeginsel is immers niet het tegengaan van nadelige gevolgen maar het voorkomen van onevenredig nadelige gevolgen. In hetgeen eiseres heeft aangevoerd blijkt niet dat er sprake is van onevenredige nadelige (financiële) gevolgen. Daarbij volgt uit de wetgeschiedenis bij artikel 3.6, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 [4] dat het urencriterium onverkort wordt toegepast bij ziekte. [5] Dit betekent dat ervan moet worden uitgegaan dat de wetgever de mogelijke consequenties hiervan onder ogen heeft gezien en afgewogen, ook voor wat betreft de IOAZ. Van niet verdisconteerde omstandigheden is daarom wat dat betreft ook niet gebleken.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk heeft. Eiseres krijgt daarom het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M.M. Meessen, rechter, in aanwezigheid van mr. F. Leichel, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Centrale Raad van Beroep waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.
Digitaal hoger beroep instellen kan via “Formulieren en inloggen” op www.rechtspraak.nl. Hoger beroep instellen kan eventueel ook nog steeds door verzending van een brief aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.
Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) 14 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1248
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 1 maart 2023, ECLI:NL:RVS:2023:772.
3.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de CRvB van 9 januari 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:38.
4.Waarin het urencriterium is neergelegd en naar welk artikel wordt verwezen in artikel 2, vijfde lid, van de IOAZ en artikel 1, aanhef en onder b, onder 2º, van de Bbz.
5.Kamerstukken II 1998/99, 26245, nr. 5, p. 36 en 37.