ECLI:NL:RBDHA:2025:24019

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
NL25.29056 en NL25.37243
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:20 AwbArt. 6:24 AwbArt. 30b Vw 2000Art. 15 KwalificatierichtlijnArtikel 8 EVRM
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag Somalische eiser wegens ongeloofwaardigheid en ontbreken reëel risico

Eiser, een Somalische nationaliteit behorende tot de Hawiye bevolkingsgroep, diende op 28 februari 2022 een asielaanvraag in die door de minister op 25 juni 2025 als kennelijk ongegrond werd afgewezen. De rechtbank behandelde het beroep op 10 september 2025 en beoordeelde de geloofwaardigheid van het asielrelaas en het risico bij terugkeer.

Eiser stelde dat hij vanwege bedreigingen door Al-Shabaab en een incident waarbij een familielid van hem overleed, niet veilig was in Somalië. Hij betoogde ook dat hij zich niet onverwijld kon melden vanwege zware stormen en dat de minister zijn verklaringen ten onrechte als wisselend en ongeloofwaardig had beoordeeld.

De rechtbank oordeelde dat eiser zich niet onverwijld had gemeld zonder verschoonbare reden, dat zijn verklaringen over de bedreigingen en incidenten inconsistent waren en dat hij onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat hij bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. Ook het beroep op bescherming van het privéleven werd verworpen.

Daarmee bleef de afwijzing van de asielaanvraag in stand en werd het beroep ongegrond verklaard. De rechtbank wees ook op de beperkte schorsende werking van het hoger beroep tegen de opgelegde dwangsom.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en de aanvraag blijft afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummers: NL25.29056 en NL25.37243

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. N.D. Schraa),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. M.L.A. Berkelmans).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 28 februari 2022 een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 25 juni 2025 deze aanvraag als kennelijk ongegrond afgewezen.
1.1.
De rechtbank heeft het beroep op 10 september 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen.
Zaaknummer NL25.37243
2. Eiser heeft op 25 april 2024 beroep ingesteld omdat de minister volgens hem niet tijdig op zijn asielaanvraag heeft beslist. Bij uitspraak van 4 juli 2024 heeft deze rechtbank, deze zittingsplaats [1] , dat beroep gegrond verklaard. Hierop heeft de minister hoger beroep ingesteld. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft de zaak aangehouden in afwachting van de prejudiciële vragen die de Afdeling heeft gesteld op 8 november 2023. [2] Bij besluit van 25 juni 2025 heeft de minister de asielaanvraag van eiser afgewezen. De Afdeling heeft het van rechtswege ontstane beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag [3] terugverwezen naar deze rechtbank deze zittingsplaats (zaaknummer NL25.37243). [4] Eiser had op dat moment reeds beroep tegen het besluit ingesteld onder zaaknummer NL25.29056. Het beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag ligt dus in beide zaken aan de rechtbank voor en de rechtbank zal op dit beroep in onderhavige uitspraak beslissen.
De rechtbank merkt op dat ter zitting de vraag is opgeworpen hoe het nu zit met het door de minister ingestelde hoger beroep tegen de uitspraak van deze rechtbank waarbij het beroep niet tijdig beslissen gegrond is verklaard en een dwangsom is opgelegd. Namens eiser is er daarbij op gewezen dat de minister in zijn besluit op de asielaanvraag niet de hoogte van de verschuldigde dwangsom heeft vastgesteld. De rechtbank stelt vast dat alleen het van rechtswege ontstane beroep tegen de afwijzing van de asielaanvraag is terugverwezen. Ten aanzien van de door deze rechtbank opgelegde dwangsom geldt dat aan het door de minister ingestelde hoger beroep geen schorsende werking toekomt en dat de dwangsom ten uitvoer kan worden gelegd overeenkomstig de regels van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering. Dat de minister in zijn besluit niet de hoogte van de verschuldigde dwangsom heeft vastgesteld doet daaraan niet af.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank beoordeelt de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser.
4. Het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Het asielrelaas
5. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en behoort tot de Hawiye bevolkingsgroep. De oom van de moederskant van eiser heeft een hoge positie binnen Al-Shabaab. Deze oom wilde wapens laten opslaan in de winkel van eiser. Eiser weigerde dit. Kort daarna kreeg eiser twee mannen op bezoek die hem bedreigden met een wapen. Nadat de mannen vertrokken waren schakelde eiser de politie in. Samen met de politie wilde eiser de mannen staande houden, alleen werd er op hen geschoten. Eiser is daarop naar huis gevlucht. De man die eiser had bedreigd in de winkel is door de beschietingen omgekomen. Zijn naam was [persoon A]. Kort daarna werd de oom van eiser opgepakt. Een paar dagen later werd het huis van eiser beschoten. Hierop is eiser ondergedoken. Eiser werd telefonisch met de dood bedreigd. Vervolgens heeft eiser besloten uit Somalië te vluchten. Nadat eiser uit Somalië was gevlucht heeft hij vernomen dat de familie van de omgekomen [persoon A] wraak op eiser willen nemen, omdat zij hem verantwoordelijk houden voor de dood van [persoon A].
Het bestreden besluit
6. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
identiteit, nationaliteit en herkomst;
weigeren mee te werken met Al-Shabaab en de daaruit voortvloeiende problemen.
De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig. Het weigeren mee te werken met Al-Shabaab en de daaruit voortvloeiende problemen acht de minister ongeloofwaardig. Volgens de minister vormen de verklaringen over het weigeren mee te werken met Al-Shabaab geen samenhangend en aannemelijk geheel. Ook heeft eiser hierover wisselende verklaringen afgelegd. Daarnaast heeft eiser zich na aankomst in Nederland niet onverwijld gemeld en daarvoor geen goede reden aangedragen. Verder blijkt niet uit de verklaringen van eiser dat hij gegronde vrees heeft voor vervolging en daarmee vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Ook is niet gebleken dat eiser bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade, aldus de minister.
Moment van asielaanvraag
7. Eiser betoogt dat de minister zijn aanvraag ten onrechte kennelijk ongegrond heeft verklaard omdat hij zich niet onverwijld zou hebben gemeld na aankomst in Nederland. [5] Eiser wijst erop dat in die periode in Nederland sprake was van drie opeenvolgende stormen. Eiser heeft informatie overgelegd van het KNMI waaruit blijkt dat het door storm Eunice op 18 februari 2022 code rood en code oranje gold. Op 20 februari 2022 gold door storm Franklin in een deel van het land code oranje en een deel van het land code geel. Ook op maandag 21 februari waren er nog zware windstoten. Eiser heeft over de zware stormen verklaard. De minister stelt zich ten onrechte op het standpunt dat het afwachten van zware stromen, treinen die niet rijden en het volgen van advies van iemand die eiser heeft ontmoet geen goede reden is om na aankomst in Nederland te wachten met het pakken van de trein om zich te melden. Eiser is niet naar een nabij gelegen politiebureau gegaan omdat bekend is dat Ter Apel de aanmeldplek is.
7.1.
Dit betoog slaagt niet. Naar oordeel van de rechtbank stelt de minister terecht dat eiser zich niet onverwijld heeft gemeld en hier geen verschoonbare reden voor had. Eiser heeft verklaard op 19 februari 2022 te zijn vertrokken uit Frankrijk en 20 februari 2022 in Nederland te zijn aangekomen. Vast staat dat eiser zich op 23 februari 2022 heeft gemeld in Ter Apel. Zoals de minister terecht stelt vormen de stormen geen verschoonbare reden omdat die stormen op 20 februari 2022 waren afgelopen. Daarom valt niet in te zien waarom eiser zich tussen 20 februari 2022 en 23 februari 2022 niet kon melden. Eiser heeft geen documenten overgelegd waaruit blijkt dat er in de opvolgende dagen na 20 februari 2022 geen openbaar vervoer of verkeer mogelijk was richting ter Apel. Ook stelt de minister terecht dat de stormen geen beletsel vormen voor eiser om zich bij de politie te melden dan wel met alternatief vervoer naar Ter Apel te rijden.
Weigeren mee te werken met Al-Shabaab en de daaruit voortvloeiende problemen
8. Eiser betoogt dat de minister het weigeren mee te werken met Al-Shabaab en de daaruit voortvloeiende problemen ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht.
Wisselende verklaringen over reden van vertrek uit Somalië
8.1.
Eiser betoogt dat hij niet wisselend heeft verklaard over de reden van zijn vertrek uit Somalië. Eiser heeft niet gezegd dat hij is bedreigd omdat hij voor de overheid werkte. Eiser heeft in de zienswijze toegelicht dat hij tijdens het nader gehoor het proces-verbaal van het Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM) over de reden van zijn vertrek heeft gecorrigeerd. Eiser geeft in het nader gehoor aan dat hij niet alles heeft verklaard wat in het proces-verbaal van het AVIM staat. Ter onderbouwing van dit standpunt verwijst eiser naar een uitspraak [6] waarin deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, oordeelde dat een tegenstrijdige verklaring afgelegd tegenover het AVIM of tijdens het aanmeldgehoor niet aan eiser mag worden tegengeworpen, omdat de verklaring tegenover het AVIM en het aanmeldgehoor niet zijn afgelegd in de context van een asielrelaas. Daar komt bij dat het gesprek met het AVIM drie jaar eerder heeft plaatsgevonden. In het aanvullend gehoor voegt eiser hieraan toe dat hij slechts heeft verklaard dat hij belasting betaalde aan de overheid en zijn eerdere verklaring een misverstand is geweest. [7] Dat eiser na een eerder verklaring een aanvulling doet is geen wisseling in zijn verklaring. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser specifiek aan het AVIM heeft verklaard dat Al-Shabaab tegen de overheid is en mensen dood [8] , maar dit zegt niets over de inconsistente verklaring van eiser.
8.1.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat eisers gestelde problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig zijn. De rechtbank stelt voorop dat niet valt in te zien waarom het gegeven dat het AVIM-verhoor of het aanmeldgehoor niet gericht zouden zijn op het asielrelaas maakt dat daarin afgelegde tegenstrijdige verklaringen niet aan eiser mogen worden tegengeworpen. Ook als het zo is dat die verhoren niet zijn gericht op het vaststellen van het asielrelaas geldt immers dat in die gehoren eiser wel voor het eerst de mogelijkheid had om over zijn asielmotief te verklaren. Daar komt bij dat in de door eiser aangehaalde uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Groningen van belang werd geacht dat aannemelijk was dat de vreemdeling tijdens het AVIM-gehoor en het aanmeldgehoor niet goed in staat was om te verklaren en dat daar door de minister geen rekening mee was gehouden. In geval van eiser is niet gebleken van enige beperking in het horen dat met (medische) documenten is onderbouwd.
Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat de verklaringen van eiser bij het AVIM te specifiek, samenhangend en uitgebreid is om als een vertaalfout of een notitiefout te kunnen gelden. Eiser verklaart bij het AVIM dat hij voor de belastingdienst werkte en dat hij belasting moest innen bij winkeliers. Eiser verklaart ook dat hij is gevlucht vanwege zijn werk bij de overheid. [9] De minister stelt terecht dat voor de wisselende verklaringen in het nadere gehoor en het aanvullend gehoor geen verschoonbare reden is gegeven en dat dus geen sprake is van een aanvulling maar van een tegenstrijdigheid. De minister heeft daarbij de verklaring van eiser dat hij het slechts over het betalen van belasting heeft gehad, gezien de hele context van eisers verklaringen bij de AVIM mogen passeren. De beroepsgrond slaagt niet.
Wisselende verklaringen over contact met de politie
8.2.
Eiser betoogt dat hij niet wisselend heeft verklaard over de wijze waarop hij contact met de politie heeft opgenomen. Eiser heeft verklaard dat hij niet naar het politiebureau is gegaan, maar dat hij de politie gebeld heeft. Toen eiser in het nader gehoor door de hoormedewerker erop is gewezen dat hij eerder heeft verklaard dat hij naar het politiebureau is gegaan heeft hij dat meteen gecorrigeerd. [10] Ook heeft eiser tijdens het gehoor aangegeven dat de wijze van contact opnemen met de politie als eerder genoteerd onjuist was.
Verder gaat de minister onvoldoende in op de uitleg die eiser daarover ook in de zienswijze heeft gegeven. Ook is de minister onvoldoende ingegaan op het feit dat het logisch is dat de politie naar eiser toekomt. Eiser heeft ook verklaard dat hij samen met de politie naar de mannen op zoek was. [11] Tot slot verwijst de minister ten onrechte naar het referentiekader van eiser. Het referentiekader van eiser heeft niets te maken met het corrigeren van verklaringen tijdens het gehoor of dat nader toelichten.
8.2.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat eiser wisselend heeft verklaard over het contact met de politie. Zoals de minister in het bestreden besluit toelicht, heeft eiser in het nader gehoor verklaard dat hij zijn winkel heeft dichtgedaan en naar het politiebureau is gegaan. [12] Later verklaart eiser dat hij niet naar het politiebureau is geweest, maar naar het politiebureau heeft gebeld. [13] De minister heeft deze wisselende verklaring niet ten onrechte aan eiser tegengeworpen. Het betoog van eiser dat het geen wisselende verklaring is maar dat hij zijn eerdere verklaring heeft gecorrigeerd volgt de rechtbank niet. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd waarom zijn eerdere verklaring afwijkt van zijn latere verklaring. Ook stelt de minister zich – onder verwijzing naar een uitspraak van de Afdeling [14] – terecht op het standpunt dat hij niet hoeft uit te gaan van een correctie wanneer er geen deugdelijke verklaring voor de correctie wordt gegeven. Verder volgt de rechtbank niet dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende is ingegaan op de verklaring voor de tegenstrijdigheid in de zienswijze. Daarbij stelt de minister niet ten onrechte dat gelet op het referentiekader van eiser mocht worden verwacht dat hij consistent verklaart. De beroepsgrond slaagt niet.
Wisselende verklaring aanwezigheid moeder tijdens het incident in de winkel
8.3.
Eiser betoogt dat hij niet wisselend heeft verklaard over de aanwezigheid van zijn moeder tijdens het incident in de winkel. Volgens eiser maakt de vergissing in zijn verklaring niet dat hetgeen hij hierover vertelt ongeloofwaardig is. Het asielrelaas van eiser is op dit punt voldoende samenhangend nu het erom gaat dat zijn moeder naar de winkel is gekomen en hij dit ook consistent heeft verklaard.
8.3.1.
Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het bestreden besluit zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser wisselend heeft verklaard over de aanwezigheid van zijn moeder tijdens het incident in de winkel. Eiser verklaart in het nader gehoor dat tijdens het incident met zijn oom in de winkel eisers moeder de winkel inkwam. Zij zou tussen eiser en de oom zijn gekomen waarna de oom losliet. [15] In het aanvullend gehoor verklaart eiser dat hij na het incident zijn moeder heeft gebeld om te vragen of zij kon komen. [16] Gelet op deze verklaringen stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eisers verklaringen wezenlijk van elkaar verschillen. Deze verklaringen kunnen immers niet naast elkaar bestaan. De beroepsgrond slaagt niet.
Wisselend verklaard over [persoon A]
8.4.
Eiser betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de dood van [persoon A] en de problemen met zijn familie ongeloofwaardig zijn en eiser daar geen inhoudelijke argumenten tegen heeft ingebracht. Volgens eiser heeft hij hierover samenhangend en aannemelijk verklaard. De minister stelt zich ten onrechte op het standpunt dat de dood van [persoon A] en de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig zijn omdat de overige verklaringen van eiser ook niet geloofwaardig zijn. Op de punten waaruit de minister meent dat eiser wisselend heeft verklaard, heeft eiser een goede verklaring of toelichting gegeven. Daar komt bij dat eiser in de zienswijze heeft toegelicht dat zijn eerdere verklaring dat de familie van [persoon A] geld zou willen, ziet op bloedgeld. In de Somalische cultuur is het namelijk gebruikelijk dat de familie in zo’n geval bloedgeld krijgt. De familie van [persoon A] heeft aangegeven met geld geen genoegen te nemen en eiser te willen doden.
8.4.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser wisselend heeft verklaard over de dreiging vanuit de familie van [persoon A] naar aanleiding van zijn dood. Eiser heeft verklaard dat de familie van [persoon A] tegen zijn moeder hebben gezegd dat zij geld willen zien of ander een jongeman uit haar familie te doden. [17] Later verklaart eiser dat de familie van [persoon A] wraak wilde nemen door de politie in te schakelen zodat eiser zou worden opgepakt. [18] Ook verklaarde eiser dat de familie van [persoon A] tegen zijn moeder zou hebben gezegd dat zij wraak op eiser willen nemen of dat ze geld moest betalen. [19] De minister heeft deze verklaringen niet ten onrechte als inconsistent beschouwd. Het betoog van eiser dat hij hierover samenhangend en aannemelijk heeft verklaard slaagt dan ook niet. Ook het betoog van eiser dat hij voor de wisselende verklaringen een toelichting heeft gegeven slaagt niet. Eiser heeft namelijk niet onderbouwd waarom de eerdere verklaringen afwijken.
Ook heeft de minister niet ten onrechte overwogen dat de dood van [persoon A] en de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig zijn omdat de verklaringen van eiser over de aanleiding tot die problemen immers ook niet geloofwaardig zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Reëel risico op ernstige schade bij terugkeer
9. Eiser betoogt dat hij bij terugkeer naar Somalië louter door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op ernstige schade. Volgens eiser wordt Mogadishu steeds gevaarlijker vanwege de aanwezigheid van Al-Shabaab. De door eiser aangehaalde bronnen in de zienswijze en in de beroepsgronden ondersteunen het gevaar dat Al-Shabaab veroorzaakt. Het gevaar is al aanwezig in eisers woonomgeving en bij terugkomst zou eiser ook worden blootgesteld aan die gevaren.
9.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich voldoende gemotiveerd op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer naar Mogadishu louter door zijn aanwezigheid een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Uit het ambtsbericht 2025 blijkt dat Mogadishu niet onder controle staat van Al-Shabaab. Hiermee is er naar het oordeel van de rechtbank geen reden om aan te nemen dat de algemene veiligheidssituatie in Mogadishu wezenlijk anders is dan in het landgebonden beleid van de minister is vastgelegd. Daar komt bij dat voor Mogadishu een lager niveau van geweld wordt aangenomen. De door eiser aangehaalde bronnen gaan niet over Mogadishu zelf. Ook heeft eiser niet gemaakt dat hij vanwege individuele factoren een verhoogd risico loopt op ernstige schade en daardoor niet kan terugkeren.
Bescherming van het privéleven
10. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende in het besluit heeft betrokken dat eiser in Nederland een eigen leven heeft opgebouwd, zich heeft aangemeld voor een studie en beschikt over werk. Het voorgaande in combinatie met de lange verblijfsduur van eiser in Nederland maakt dat afwijzing van zijn asielaanvraag leidt tot een schending van het recht op bescherming van het privéleven. [20]
10.1.
Uit de Afdelingsuitspraak van 29 maart 2018 [21] volgt dat alleen onder uitzonderlijke omstandigheden een schending van het recht op privéleven bestaat als een vreemdeling diens privéleven geheel heeft opgebouwd tijdens illegaal verblijf. De rechtbank overweegt dat de minister terecht het standpunt heeft ingenomen dat de door eiser overgelegde loonstroken en aanmelding voor een studie niet maken dat sprake is van een dergelijke uitzonderlijke omstandigheid. Daarbij stelt de minister terecht dat uit de door eiser aangevoerde loonstroken en aanmelding voor een studie weliswaar een band met Nederland blijkt, maar niet dat het onmogelijk is om deze buiten Nederland vorm te geven. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

11. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand blijft. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. W. Loof, rechter, in aanwezigheid van mr. C.G.H. van der Holst, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

3.Gelet op artikel 6:20, derde lid, in samenhang met artikel 6:24 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
4.Zaaknummer NL25.37243.
5.Artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 2000.
6.Rb. Den Haag (zp. Groningen) van 10 juli 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:12305.
7.Eiser verwijst naar het aanvullend gehoor, p. 8.
8.Proces-verbaal bij het AVIM, p. 4.
9.Proces-verbaal bij het AVIM, p. 4.
10.Verslag nader gehoor, p. 15.
11.Eiser verwijst naar correcties en aanvullingen nader gehoor, p. 1.
12.Verslag nader gehoor, p. 8 en 14.
13.Verslag nader gehoor, p. 15.
14.Afdelingsuitspraak van 14 oktober 2013, ECLI:NL:RVS:2013:1602; Afdelingsuitspraak van 27 juli
15.Verslag nader gehoor, p. 13.
16.Verslag aanvullend gehoor, p. 8.
17.Verslag nader gehoor, p. 9.
18.Verslag nader gehoor, p. 11.
19.Verslag nader gehoor, p. 18.
20.In de zin van artikel 8 van Pro het EVRM.
21.ABRvS 29 maart 2018, ECLI:NL:RVS:2018:1085, onder 3.1.