In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag uitspraak gedaan over een terugkeerbesluit dat aan eiseres is opgelegd door de minister van Asiel en Migratie. Eiseres, een Indiase vrouw die sinds 28 juli 2022 in Nederland verblijft op basis van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB), heeft op 19 februari 2024 beroep ingesteld tegen een besluit van 7 februari 2024, waarin werd vastgesteld dat zij per 5 maart 2024 geen verblijfsrecht meer had. Dit besluit werd vergezeld van een terugkeerbesluit. De voorzieningenrechter heeft op 1 maart 2024 een voorlopige voorziening toegewezen, waardoor het terugkeerbesluit werd geschorst tot er een uitspraak in de hoofdzaak was gedaan.
Op 7 augustus 2025 heeft de minister het eerdere terugkeerbesluit vervangen door een nieuw besluit. Eiseres heeft hiertegen opnieuw beroep ingesteld, waarbij zij aanvullende gronden heeft ingediend. De rechtbank heeft geoordeeld dat het terugkeerbesluit op goede gronden is genomen, omdat de facultatieve tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 was geëindigd. De rechtbank heeft de argumenten van eiseres, waaronder het beroep op het evenredigheidsbeginsel en de schending van de hoorplicht, verworpen. De rechtbank concludeert dat er geen belangen zijn die aanleiding geven tot een beoordeling van het ingetrokken terugkeerbesluit van 7 februari 2024.
De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard en verweerder veroordeeld in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 907,-. De uitspraak is openbaar gemaakt en partijen zijn geïnformeerd over de mogelijkheid tot hoger beroep.