Eiseres, met de Indiase nationaliteit, verbleef sinds juli 2022 in Nederland op grond van facultatieve tijdelijke bescherming onder de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB). Verweerder legde op 7 februari 2024 een terugkeerbesluit op, dat op 7 augustus 2025 werd vervangen omdat het eerste besluit prematuur was genomen. Eiseres voerde aan dat zij nog rechtmatig verblijf had vanwege de bevriezingsmaatregel en de voorlopige voorziening, en stelde dat haar privéleven onvoldoende was betrokken en dat hoorplicht was geschonden.
De rechtbank oordeelt dat de tijdelijke bescherming per 4 maart 2024 is geëindigd en dat het terugkeerbesluit van 7 augustus 2025 rechtmatig is genomen. De bevriezingsmaatregel verhindert niet dat een terugkeerbesluit wordt uitgevaardigd. De voorlopige voorziening leidt niet tot rechtmatig verblijf in de zin van de Terugkeerrichtlijn. Het beroep op het evenredigheidsbeginsel en de hoorplicht wordt verworpen, omdat eiseres voldoende gelegenheid heeft gehad haar standpunt toe te lichten.
De rechtbank verwijst naar relevante uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie en de Afdeling bestuursrechtspraak. Gezien het voorgaande is het beroep ongegrond verklaard. Verweerder is veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres ad € 907,-.