ECLI:NL:RBDHA:2025:23975

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
15 december 2025
Zaaknummer
NL25.48858
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing asielaanvraag op basis van onvoldoende bewijs van identiteit en nationaliteit van eiser uit Eritrea

In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser heeft op 4 februari 2024 een asielaanvraag ingediend, maar deze is op 3 oktober 2025 door de minister van Asiel en Migratie afgewezen als ongegrond. De rechtbank heeft vastgesteld dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet aannemelijk zijn gemaakt, omdat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd en zijn verklaringen inconsistent zijn. Eiser heeft aangevoerd dat hij in bewijsnood verkeert en dat de samenwerkingsplicht van verweerder is geschonden, maar de rechtbank oordeelt dat verweerder niet verplicht was om aanvullende documenten of een taalanalyse aan te bieden. De rechtbank concludeert dat het terugkeerbesluit naar Eritrea terecht is opgelegd, aangezien dit land als terugkeerland is genoemd in het besluit. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, waardoor het bestreden besluit in stand blijft en eiser geen proceskostenvergoeding ontvangt.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.48858

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser

(gemachtigde: mr. F.H. Bruggink),
en
de minister van Asiel en Migratie,
voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder
(gemachtigde: C.A. van Es).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd.
1.1.
Eiser heeft op 4 februari 2024 een asielaanvraag ingediend. Met het bestreden besluit van 3 oktober 2025 heeft verweerder de aanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft de motivering van dit besluit op 8 oktober 2025 aangevuld.
1.2.
Aan de zitting hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer Solomon als tolk, en de gemachtigde van verweerder. Ook aanwezig is een familielid van eiser.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?
2. Eiser stelt geboren te zijn op [geboortedatum] 1995 en de Eritrese nationaliteit te hebben. Hij heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij de dienstplicht in Eritrea heeft ontdoken en dat hij Eritrea illegaal heeft verlaten.
3. Verweerder heeft deze aanvraag afgewezen omdat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser niet vastgesteld kon worden. Eiser heeft zijn identiteit, nationaliteit en herkomst namelijk zonder goede verklaring met onvoldoende documenten onderbouwd. Daarnaast vormen zijn verklaringen erover geen samenhangend en aannemelijk geheel. Verweerder heeft het asielrelaas van eiser daarom niet inhoudelijk beoordeeld.
Wat vindt eiser in beroep?
4. Eiser voert in beroep –kort samengevat– het volgende aan. Allereerst verkeert eiser in bewijsnood, omdat het voor hem niet mogelijk is om zijn identiteit met meer documenten te onderbouwen. Daarop gelet heeft verweerder de samenwerkingsplicht geschonden door eiser geen taalanalyse aan te bieden en hem geen uitgebreide herkomstvragen te stellen. Daarbij heeft verweerder onvoldoende waarde gehecht aan de overgelegde stukken en de juiste verklaringen van eiser over Eritrea. In de beroepsfase heeft eiser een doopakte overgelegd. Hij verzoekt de rechtbank om de behandeling van de zaak aan te houden zodat Bureau Documenten het stuk kan onderzoeken. Ter zitting heeft eiser nog betoogd dat verweerder geen aanvullend besluit mocht nemen zonder eiser de gelegenheid te geven daar zijn zienswijze op te geven. [1] Tenslotte kan het terugkeerbesluit volgens eiser niet in stand blijven omdat er geen land van terugkeer in is genoemd.
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. De rechtbank geeft eiser geen gelijk. De rechtbank zal dit hieronder uitleggen.
5.1.
Naar het oordeel van de rechtbank mocht verweerder concluderen dat eisers gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst niet aannemelijk zijn. Verweerder mocht aan eiser tegenwerpen dat hij onvoldoende documenten heeft overgelegd zonder goede verklaring. Verweerder mocht erop wijzen dat uit de door eiser overgelegde kopieën geen biometrische informatie volgt. [2] De overgelegde huwelijksakte bevat ook geen pasfoto en kan daarom niet bijdragen aan het aannemelijk maken van de identiteit. Met betrekking tot de kopieën van de identiteitsbewijzen van eisers gestelde ouders komt de rechtbank tot hetzelfde oordeel. Hieruit volgt daarbij niet dat een familierechtelijke relatie bestaat tussen de personen op de identiteitsbewijzen en eiser. [3] Over de in beroep overlegde doopakte mocht verweerder erop wijzen dat het geen identificerend document betreft en bovendien niet door de autoriteiten is afgegeven, zodat ook dit stuk niet kan bijdragen aan de onderbouwing van eisers identiteit. Verweerder hoefde dan ook geen aanleiding te zien om deze doopakte te laten onderzoeken door Bureau Documenten. Het verzoek van eiser om het onderzoek daarom aan te houden dan wel te heropenen wordt dan ook afgewezen.
5.2.
Ook mocht verweerder aan eiser tegenwerpen dat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en dat hij in strijd heeft verklaard met informatie over Eritrea. Zo heeft eiser inconsistent en in strijd met openbare bronnen verklaard over de dienstplichtige leeftijd in Eritrea, hoewel dit de kern is van zijn asielrelaas. Ook eisers verklaring dat hij op zijn 21ste in groep 5 zat, kan gelet op de beschikbare informatie over het schoolsysteem in Eritrea niet juist zijn. Eisers stelling dat de praktische werkelijkheid afwijkt van de theoretische omschrijving van de dienstplicht en het schoolsysteem in de ambtsberichten over Eritrea, doet hier niet aan af. Deze stelling heeft eiser namelijk niet nader onderbouwd en daar komt bij dat eiser zelf ook wisselende verklaringen heeft afgelegd. Dat deze inconsistenties kwamen door misverstanden met de tolk volgt naar het oordeel van de rechtbank ook niet uit het dossier, zodat verweerder eisers correctie achteraf over de dienstplichtige leeftijd niet hoefde te volgen.
5.3.
De rechtbank volgt eiser ook niet in zijn betoog dat hij in bewijsnood verkeert en dat verweerder de samenwerkingsplicht heeft geschonden. Eiser heeft namelijk geen op de persoon toegespitste verklaring voor het ontbreken van andere documenten gegeven. De stelling dat niet iedereen op het platteland documenten heeft en dat men in afgelegen gebieden geen
residence cardnodig heeft om van overheidsinstanties gebruik te maken, is te algemeen van aard. [4] De rechtbank wijst erop dat eiser zijn asielaanvraag al op 4 februari 2024 heeft ingediend en sindsdien de gelegenheid heeft gehad zijn aanvraag met andere stukken dan een
residence cardte onderbouwen. Zo was ter zitting een gesteld familielid van eiser aanwezig, een neef of oom uit hetzelfde dorp, van wie eiser verklaringen en stukken had kunnen vragen en heeft eiser ter zitting verklaard dat hij in Eritrea met brieven van de plaatselijke autoriteiten toegang verkreeg tot onderwijs en zorg. Ook is niet gebleken dat eiser niet aan andere documenten ter onderbouwing van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst kan komen. Verweerder hoefde ook geen taalanalyse uit te voeren, nu ook dit geen wezenlijke bijdrage kan leveren aan het vaststellen van de herkomst en nationaliteit van eiser. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het Tigrinya geen eenduidige dialectkenmerken kent die iemand binnen of buiten de grenzen van Eritrea kunnen plaatsen. [5] Nu de overgelegde stukken en de verklaringen van eiser niet bijdragen aan de geloofwaardigheid van zijn identiteit volgt de rechtbank eiser niet in het betoog dat verweerder zijn samenwerkingsplicht heeft geschonden door geen taalanalyse uit te voeren.
Het terugkeerbesluit
6. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder ook terecht een terugkeerbesluit opgelegd. Anders dan eiser betoogt is in het terugkeerbesluit wel een land van terugkeer genoemd, namelijk Eritrea. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat elk terugkeerbesluit een of meer landen van terugkeer moet vermelden. [6] Hiervoor is het niet vereist dat de herkomst en nationaliteit van eiser zijn vastgesteld.
Het aanvullende besluit
7. De grond dat verweerder eiser in de gelegenheid moest stellen om zijn zienswijze te geven voordat hij het aanvullende besluit van 8 oktober 2025 nam, slaagt niet. Het aanvullend besluit heeft namelijk geen zelfstandige rechtsgevolgen wat betreft het terugkeerbesluit, nu Eritrea al in het oorspronkelijke besluit als land van terugkeer was genoemd en dit met het aanvullende besluit is blijven staan. Dat verweerder benoemt dat eiser ook terug kan keren naar een ander land waar toelating is gewaarborgd, verandert dit niet. Verweerder heeft in het aanvullende besluit verder gesteld dat hij de aanvraag ook als kennelijk ongegrond had kunnen afdoen, maar de aanvraag niet daadwerkelijk kennelijk ongegrond verklaard, zodat het aanvullende besluit ook in die zin geen nieuwe rechtsgevolgen heeft.

Conclusie en gevolgen

8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J.P. Bosman, rechter, in aanwezigheid van mr. H.S. van Wessel, griffier.
De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen een week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Eiser verwijst naar artikel 3.119 van het Vreemdelingenbesluit 2000.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 februari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:389.
3.Zie voetnoot 2.
4.Zie de uitspraak van Afdeling van 16 september 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3146.
5.Zie de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3060.
6.Zie de uitspraak van de Afdeling van 29 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2506.