ECLI:NL:RBDHA:2025:23834

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
21 oktober 2025
Publicatiedatum
12 december 2025
Zaaknummer
25/903 en 25/904
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:42 APV Den HaagArt. 2:97 APV Den HaagArt. 5:1 AwbAlgemene plaatselijke verordening Den HaagAlgemene wet bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging last onder dwangsom voor verboden reclame-uitingen in openbare ruimte

Eiser, een administratiekantoor met een eenmanszaak, kreeg een last onder dwangsom opgelegd wegens het aanbrengen van twee reclame-stickers in de openbare ruimte van Den Haag, in strijd met de Algemene plaatselijke verordening (APV). Hoewel eiser de stickers niet zelf heeft aangebracht, oordeelt de rechtbank dat hij als functioneel overtreder kan worden aangemerkt omdat hij beschikkingsmacht had over de gedraging en deze heeft aanvaard.

De rechtbank baseert dit op het feit dat eiser de stickers actief heeft verspreid aan klanten en derden, wetende dat deze in de openbare ruimte konden worden geplakt, zonder maatregelen te treffen om dit te voorkomen. Eiser had de overtreding kunnen voorkomen door voorwaarden te stellen of voorlichting te geven over het gebruik van het reclamemateriaal.

Verweerder heeft de dwangsom terecht opgelegd en na het niet verwijderen van de stickers binnen de gestelde termijn, ook terecht de verbeurde dwangsom ingevorderd. Eiser voerde geen bijzondere omstandigheden aan die handhaving onevenredig zouden maken.

De beroepen van eiser tegen zowel de last onder dwangsom als de invordering zijn daarom ongegrond verklaard. Eiser krijgt geen proceskostenvergoeding en het griffierecht wordt niet teruggegeven.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond en bevestigt het opleggen en invorderen van de last onder dwangsom.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummers: SGR 25/903 en 25/904

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 oktober 2025 in de zaken tussen

[eiser] h.o.d.n. [handelsnaam] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. F. van Hal),
en

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, verweerder

(gemachtigde: D. van der Klaauw en mr. F. van Ommeren).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank de beroepen van eiser tegen de aan hem opgelegde dwangsom (SGR 25/904) en tegen de invordering van de verbeurde dwangsom (SGR 25/903).
1.1.
Met de bestreden besluiten van 6 december 2024 heeft verweerder het bezwaar van eiser tegen de last onder dwangsom ongegrond verklaard en het bezwaar tegen de invordering van de verbeurde dwangsom gegrond verklaard, in die zin dat de hoogte van de in te vorderen dwangsom wordt vastgesteld op € 500,- in plaats van € 1.000,-.
1.2.
De rechtbank heeft het beroep op 29 juli 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder.

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat deze zaak over?

2. Verweerder heeft op 17 mei 2024 aan eiser een last onder dwangsom opgelegd nadat een gemeentelijke toezichthouder in de openbare ruimte twee stickers van het Amsterdamse administratiekantoor heeft opgemerkt. De eerste sticker, met de tekst “I love my boekhouder” is op 17 februari 2024 aangetroffen op een afvalbak aan de openbare weg, aan de Bosrank. De tweede sticker, met de tekst “I love my bookkeeper”, is vlakbij diezelfde plek op 6 april 2024 aangetroffen op een elektriciteitskastje. Verweerder heeft eiser gelast de stickers vóór 23 mei 2024 te verwijderen, op straffe van een dwangsom van € 500,- per dag per overtreding, oplopend tot een maximum van € 2.500,-. Op 22 juni 2024 omstreeks 15:27 uur is geconstateerd dat eiser hieraan niet binnen de gegeven begunstigingstermijn heeft voldaan. Bij besluit van 3 juli 2024 is verweerder daarom overgegaan tot de invordering van de verbeurde dwangsom van € 1.000,-. Tijdens de bezwaarprocedure heeft verweerder aanleiding gezien om de verbeurde dwangsom te matigen tot een bedrag van € 500,-. Deze zaak gaat over de vraag of verweerder eiser terecht als overtreder heeft aangemerkt en een dwangsom mocht opleggen en of hij mocht overgaan tot invordering van de verbeurde dwangsom.
Wat vindt eiser in beroep?
3. Eiser stelt dat de bestreden besluiten niet in stand kunnen blijven. Hij verwijst naar de gronden van het bezwaar met het verzoek die als herhaald en ingelast te beschouwen. Eiser weerspreekt niet dat de stickers door hem zijn verspreid als reclamemateriaal. Wel heeft verweerder hem ten onrechte aangemerkt als overtreder nu hij de stickers zelf niet op de openbare afvalbak en het elektriciteitskastje heeft geplakt en hij ook geen functioneel dader is. Hij had namelijk niet de beschikkingsmacht over de stickers en hij heeft de overtreding ook niet aanvaard. Hij weet ook niet wie de stickers heeft geplakt. Het waarschuwen van de ontvangers van het reclamemateriaal zal volgens hem een volgende overtreding niet kunnen voorkomen. Van hem kan ook niet worden verwacht dat hij voorkomt dat stickers in de openbare ruimte worden geplakt. Omdat verweerder volgens eiser ten onrechte een last onder dwangsom heeft opgelegd en het besluit daarom moet worden vernietigd, kan het invorderingsbesluit geen standhouden.
Wat vindt verweerder in beroep?
4. Verweerder stelt dat sprake is van twee overtredingen (twee stickers) waarvoor eiser als overtreder kan worden aangemerkt. Weliswaar is onduidelijk wie de stickers in de openbare ruimte heeft geplakt, maar het is duidelijk dat de stickers afkomstig zijn van eiser en dat zij zijn bedoeld als reclame voor het administratiekantoor. Er is sprake van functioneel daderschap nu eiser de beschikkingsmacht had over de overtreding en de overtreding ook heeft aanvaard. Eiser heeft verklaard dat hij het reclamemateriaal actief heeft verspreid met het kennelijke doel dat deze in de openbare ruimte worden geplakt. Eiser heeft de overtreding aanvaard door geen voorlichting te geven of voorwaarden te stellen aan de ontvangers van de stickers en heeft daarmee willens en wetens het risico genomen dat de stickers in strijd met de geldende regels in de openbare ruimte konden worden aangebracht.
Wat is het oordeel van de rechtbank
5. De rechtbank is van oordeel dat de beroepen ongegrond zijn. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Heeft verweerder terecht een last onder dwangsom opgelegd?
6. Op grond van artikel 2:42, tweede lid, aanhef en onder b, van de APV [1] is het verboden zonder schriftelijke toestemming – op dat gedeelte van een onroerende zaak dat vanaf de weg zichtbaar is – een aanplakbiljet of ander geschrift, afbeelding of aanduiding aan te plakken. Daarnaast bepaalt artikel 2:97, eerste lid, van de APV dat het verboden is om zonder vergunning van het bevoegd gezag op of aan een onroerende zaak handelsreclame te maken of te voeren met behulp van een opschrift, aankondiging of afbeelding in welke vorm dan ook, die zichtbaar is vanaf een voor het publiek toegankelijke plaats. Partijen zijn het erover eens dat het plakken van de twee stickers een overtreding van de APV betreft. Verweerder heeft ter zitting bevestigd dat het hier om één overtreding gaat.
6.1.
Gelet op artikel 5:1, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt onder overtreder verstaan degene die de overtreding pleegt of medepleegt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is de overtreder in de eerste plaats degene die de verboden handeling fysiek verricht. Voor beantwoording van de vraag of een ander als functionele pleger van de overtreding kan worden aangemerkt, is de Afdeling in haar uitspraken van 31 mei 2023 aangesloten bij de strafrechtelijke criteria voor functioneel daderschap, zoals die zijn geformuleerd door de strafkamer van de Hoge Raad. [2] Zoals de Afdeling heeft uiteengezet, houdt de rechtspraak van de strafkamer van de Hoge Raad voor zover het gaat om natuurlijke personen in dat een (verboden) gedraging in redelijkheid aan de verdachte als (functioneel) dader kan worden toegerekend indien deze erover vermocht te beschikken of de gedraging al dan niet zou plaatsvinden en indien zodanig of vergelijkbaar gedrag blijkens de feitelijke gang van zaken door de verdachte werd aanvaard of placht te worden aanvaard. Onder bedoeld te aanvaarden is mede begrepen het niet betrachten van de zorg die in redelijkheid van de verdachte kon worden gevergd met het oog op de voorkoming van de gedraging. [3] Niet in geschil is dat eiser de stickers niet zelf heeft aangebracht. Partijen zijn het er daarnaast over eens dat voor de beoordeling of de verboden gedraging aan eiser, een eenmanszaak, kan worden toegerekend, en of hij als overtreder kan worden aangemerkt, de criteria voor functioneel daderschap die gelden voor een natuurlijke persoon van toepassing zijn. [4]
Beschikkingsmacht over en aanvaarding van de gedraging
7. De rechtbank is van oordeel dat verweerder eiser terecht als overtreder heeft aangemerkt omdat eiser beschikkingsmacht had over de verboden gedraging en hij deze gedraging ook heeft aanvaard. Verweerder heeft hierbij ook terecht de hiervoor aangehaalde IJzerdraad-criteria toegepast.
Beschikkingsmacht
7.1.
De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn zienswijze heeft vermeld in het verleden marketingmateriaal te hebben verspreid voor het werven van (potentiële) zakelijke klanten (van 2015 tot en met 2022). Namens eisers is ook tijdens de hoorzitting verklaard dat de stickers in eerste instantie aan klanten zijn verspreid en daarnaast ook op vakbeurzen. Het reclamemateriaal werd naar eigen zeggen verder verspreid door klanten, leveranciers en bekenden. Nu eiser een eenmanszaak is, gaat de rechtbank ervan uit dat eiser zelf de stickers heeft verspreid. Door de verspreiding van de stickers heeft de verboden gedraging ook kunnen plaatsvinden. Eiser kon dus beschikken over of de gedraging zou plaatsvinden. Dat eiser niet zelf de stickers heeft aangebracht in de openbare ruimte en daarmee de verboden gedraging niet zelf heeft begaan, maakt dit niet anders.
Aanvaarding
7.2.
Met het ongeclausuleerd aan klanten, leveranciers, en bekenden ter beschikking stellen van de stickers, wetende dat deze in strijd met de regels in de openbare ruimte kunnen worden geplakt, heeft eiser niet de zorg betracht die redelijkerwijs van hem kon worden gevergd met het oog op het voorkomen van de overtreding. Daarbij wordt nog opgemerkt dat verweerder heeft gewezen op de contactpagina van de website van het administratiekantoor, waarop foto’s te zien zijn van soortgelijke stickers van het administratiekantoor in de openbare ruimte zoals bijvoorbeeld op een lantaarnpaal. Het plakken van de stickers in de openbare ruimte lijkt hiermee een marketingstrategie (te zijn geweest), en te worden aangemoedigd. Door iedere verantwoordelijkheid voor gebruik van de stickers in de openbare ruimte uit de weg te gaan, heeft eiser willens en wetens het risico aanvaard dat een overtreding wordt begaan. Dit betekent dat verweerder naar het oordeel van de rechtbank eiser terecht heeft aangemerkt als overtreder en bevoegd was aan eiser een last onder dwangsom op te leggen.
7.3.
Eiser heeft aangevoerd dat het administratiekantoor inmiddels geen nieuwe klanten meer aanneemt, geen klanten heeft uit Den Haag, en ook niet op zoek is naar klanten uit Den Haag. Dat de reclame-uitingen niet concreet gericht waren op (potentiële) klanten in specifiek Den Haag, maakt echter nog niet dat de overtreding niet langer aan eiser kan worden toegerekend. Eiser wijst verder op een uitspraak van het CBb, [5] maar de rechtbank is het met verweerder eens dat die uitspraak niet een-op-een vergelijkbaar is omdat in die zaak sprake was van een overeenkomst waarin de onderlinge verhoudingen tussen de betrokkenen waren vastgelegd. Ook de uitspraak van de rechtbank Overijssel [6] waarnaar eiser heeft verwezen is niet een-op-een vergelijkbaar omdat het in die zaak ging om onder meer het afdwingen van een vergunningplicht. Deze zaak daarentegen ziet op een herstelsanctie, er is reeds een overtreding geconstateerd. De rechtbank overweegt dat eiser de overtreding, tot op zekere hoogte, had kunnen voorkomen door aan het gebruik daarvan vooraf voorwaarden te stellen of voorlichting te geven over het gebruik van het reclamemateriaal. Op (het rugpapier van) de stickers had bijvoorbeeld kunnen worden vermeld dat deze niet zijn bestemd voor gebruik in de openbare ruimte.
Had verweerder moeten afzien van handhavend optreden?
8. Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Alleen onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd dit niet te doen. Handhavend optreden kan zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen, dat van optreden in die concrete situatie moet worden afgezien. Bij de beoordeling van de noodzakelijkheid van de opgelegde last onder dwangsom staat de vraag centraal, of die maatregel noodzakelijk is om het doel te bereiken. Als het antwoord op die vraag is dat het gewenste doel, namelijk dat de APV niet meer wordt overtreden, ook kan worden bereikt met een minder ingrijpende maatregel dan een last onder dwangsom, dan is deze laatste niet noodzakelijk. Eiser heeft geen bijzondere omstandigheden aangevoerd op grond waarvan de maatregel onevenredig is voor eiser. De rechtbank is daarom van oordeel dat geen sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan verweerder in dit geval had moeten afzien van handhavend optreden.
Heeft verweerder de verbeurde dwangsom terecht ingevorderd?
9. Eiser heeft na de ontvangst van het voornemen van verweerder van 29 maart 2024 tot het opleggen van een dwangsom geen actie ondernomen om de overtreding te beëindigen. Hij had de stickers binnen de begunstigingstermijn van de afvalbak en het elektriciteitskastje kunnen verwijderen, maar heeft dat bewust niet gedaan omdat hij van mening was dat hij niet verantwoordelijk is voor het plakken van de stickers.
9.1.
Omdat niet is voldaan aan de last en de dwangsom is verbeurd, kan verweerder alleen in bijzondere omstandigheden (gedeeltelijk) van de invordering afzien. Het ligt op de weg van eiser om te onderbouwen waarom de verbeurde dwangsom niet kan worden ingevorderd. De enkele stelling dat de invorderingsbeschikking geen stand kan houden omdat volgens hem de last onder dwangsom niet rechtmatig is genomen, is daartoe niet afdoende. De rechtbank is daarom van oordeel dat verweerder de verbeurde dwangsom terecht heeft ingevorderd.

Conclusie en gevolgen

10. De beroepen zijn ongegrond. Dat betekent dat verweerder de last onder dwangsom mocht opleggen en invordering van de dwangsom mocht overgaan. Eiser krijgt daarom het griffierecht niet terug. Hij krijgt ook geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M. de Wit, rechter, in aanwezigheid van
A.J. van Rossum, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Algemene plaatselijke verordening voor de gemeente Den Haag (de APV).
2.Uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 31 mei 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2067 en ECLI:NL:RVS:2023:2071.
3.Vergelijk ook de arresten van de Hoge Raad van 23 februari 1954, ECLI:NL:HR:1954:3 (IJzerdraad-arrest), en van 8 december 2015, ECLI:NL:HR:2015:3487. Wat betreft de strafrechtelijke criteria voor het daderschap van rechtspersonen wijst de Afdeling op de criteria die zijn geformuleerd in het arrest van de Hoge Raad van 21 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2003:AF7938 (Drijfmest-arrest), zoals verduidelijkt in het arrest van de Hoge Raad van 26 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:733.
4.De IJzerdraad-criteria.
5.Uitspraak van het College van Beroep voor het bedrijfsleven van 20 juni 2013, ECLI:NL:CBB:2013:CA3716.
6.Uitspraak van de rechtbank Overijssel van 5 maart 2024, ECLI:NL:RBOVE:2024:1158.