ECLI:NL:RBDHA:2025:2345
Rechtbank Den Haag
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Beroep ongegrond tegen niet in behandeling nemen asielaanvraag wegens Dublinverantwoordelijkheid Kroatië
Eiser, een Syrische asielzoeker, heeft op 4 september 2024 in Nederland asiel aangevraagd. De minister van Asiel en Migratie heeft deze aanvraag niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek, gebaseerd op gegevens in Eurodac die aantonen dat eiser eerder in Kroatië een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend.
Eiser betoogt dat hij in Kroatië onmenselijk is behandeld, geen asiel heeft aangevraagd en niet geïnformeerd is over asielprocedures, en dat Kroatië niet kan worden vertrouwd vanwege risico's op pushbacks. Hij verwijst naar jurisprudentie en rapporten die het interstatelijk vertrouwensbeginsel jegens Kroatië betwijfelen. De rechtbank oordeelt echter dat eiser onvoldoende concrete aanwijzingen heeft geleverd om het interstatelijk vertrouwensbeginsel te weerleggen.
De rechtbank stelt vast dat het uitgangspunt is dat de minister mag vertrouwen op Kroatië als verantwoordelijke lidstaat. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM Pro of artikel 4 Handvest Pro. Ook het ontbreken van klachtenmogelijkheden of hulp in Kroatië is onvoldoende onderbouwd.
Daarom verklaart de rechtbank het beroep ongegrond en handhaaft het besluit van de minister. Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt niet-ontvankelijk verklaard omdat de zaak niet langer connex is. Er wordt geen proceskostenvergoeding toegekend.
Uitkomst: Het beroep tegen het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag wordt ongegrond verklaard en het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.