ECLI:NL:RBDHA:2025:23351
Rechtbank Den Haag
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Rechtspraak.nl
Ongegrondverklaring beroep tegen voortduren maatregel van vreemdelingenbewaring
De eiser verbleef sinds 18 juli 2025 in vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59 van Pro de Vreemdelingenwet 2000. Hij stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht om schadevergoeding. De rechtbank toetste de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel vanaf het moment van het sluiten van het vorige onderzoek.
Eiser voerde aan dat er geen zicht is op uitzetting naar Algerije binnen een redelijke termijn, mede omdat de Algerijnse autoriteiten nog geen laissez-passer hadden afgegeven en hij geen identificatiedocumenten bezat. De rechtbank oordeelde dat er in algemene zin wel zicht is op uitzetting en dat het ontbreken van een concrete presentatie- of uitzettingsdatum onvoldoende is om het voortduren van de maatregel onrechtmatig te achten.
Verder stelde eiser dat verweerder onvoldoende voortvarend had gehandeld en dat een lichter middel had moeten worden toegepast. De rechtbank vond dat verweerder voldoende inspanningen had verricht, waaronder meerdere rappelleringen en extra aandacht voor de aanvraag bij de Algerijnse autoriteiten. Ook werd gewezen op de verplichting van eiser om actief mee te werken, wat onvoldoende was gebleken.
De rechtbank voerde daarnaast een ambtshalve toetsing uit, waarbij geen schending van het non-refoulementbeginsel of het belang van familie- en gezinsleven werd vastgesteld. Het beroep werd ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Er werd geen proceskostenveroordeling uitgesproken.
Uitkomst: Het beroep tegen het voortduren van de maatregel van vreemdelingenbewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.