ECLI:NL:RBDHA:2025:23316

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
NL25.57100
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59b Vw 2000Art. 106 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen maatregel bewaring en afwijzing schadevergoeding wegens illegaal verblijf

De minister van Asiel en Migratie legde op 20 november 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 1 december 2025 opgeheven.

De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de bewaring voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was. Eiser stelde dat er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond, maar de rechtbank oordeelde dat een recente controle op 28 oktober 2025 waarbij een illegale vreemdeling werd aangetroffen in dezelfde woning voldoende was voor een redelijk vermoeden. De staandehouding was daarmee rechtmatig.

Verder betoogde eiser dat de bewaring te laat was omgezet na intrekking van zijn asielverzoek op 28 november 2025, maar de rechtbank stelde vast dat de bewaring terecht werd voortgezet tot 1 december 2025 vanwege een onderzoek naar mogelijke schending van het non-refoulementbeginsel, aangezien eiser ondanks intrekking van het verzoek toch een asielwens had geuit.

De rechtbank zag geen aanleiding om ambtshalve tot een ander oordeel te komen en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter A.S.W. Kroon op 8 december 2025.

Uitkomst: Het beroep tegen de maatregel van bewaring is ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding is afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.57100

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 december 2025 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en

de minister van Asiel en Migratie,

(gemachtigde: mr. S. Bozkurt).

Procesverloop

Bij besluit van 20 november 2025 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 1 december 2025 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 2 december 2025, met behulp van een beeldverbinding, op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van Pro de Vw 2000 kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Is de staandehouding onrechtmatig geweest?
2. Eiser betoogt dat zijn staandehouding onrechtmatig was, omdat er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond. Uit het dossier valt af te leiden dat de verbalisanten een hercontrole hebben uitgevoerd bij een woning waar eerder een illegale vreemdeling was aangetroffen. Het enkele feit dat bij die woning eerder een illegale vreemdeling is aangetroffen maakt niet dat deze woning bestempeld dient te worden als een plek waar regelmatig illegale vreemdelingen verblijven en dit levert dan ook geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf op.
2.1.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat een redelijk vermoeden van illegaal verblijf kon worden aangenomen. Een redelijk vermoeden van illegaal verblijf mag in ieder geval worden aangenomen in de situatie dat er een controle in een woning heeft plaatsgevonden waarbij bij een eerdere controle illegale personen zijn aangetroffen. [1] Uit het proces-verbaal van staandehouding blijkt dat er recent, te weten op 28 oktober 2025, in de woning een controle uitgevoerd waarbij een illegaal verblijvende vreemdeling is aangetroffen. Op 20 november 2025 is vervolgens een hercontrole uitgevoerd waarbij eiser is aangetroffen in dezelfde woning. Dit acht de rechtbank voldoende om een redelijk vermoeden van illegaal verblijf aan te nemen. De staandehouding was dus rechtmatig. De beroepsgrond slaagt niet.
Is de maatregel van bewaring tijdig omgezet?
3. Eiser betoogt dat de maatregel van bewaring te laat is omgezet. Eiser heeft zijn asielverzoek immers al op 28 november 2025 ingetrokken en de maatregel is pas op 1 december 2025 omgezet. Dat is niet binnen de termijn van 48 uur die volgt uit de rechtspraak.
3.1.
De rechtbank is van oordeel dat de maatregel van bewaring tijdig is omgezet. Zoals volgt uit het emailbericht van 29 november 2025 van een medewerker van de Afdeling Vreemdelingenpolitie Identificatie en Mensenhandel aan de gemachtigde van eiser en zoals de minister op de zitting heeft toegelicht, is eiser van 28 november 2025 tot 1 december 2025 toch op grond van artikel 59b van de Vw 2000 in bewaring is gehouden. Dat is gedaan zodat kon worden beoordeeld of een overdracht naar Tunesië in strijd zou zijn met het beginsel van non-refoulement. [2] Dit was namelijk nog niet eerder gebeurd, omdat eisers eerste asielaanvraag niet in behandeling is genomen omdat hij met onbekende bestemming was vertrokken. [3] Naar het oordeel van de rechtbank was de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b van de Vw 2000 vanaf 28 november 2025 niet onrechtmatig, omdat eiser ondanks dat hij zijn asielverzoek had ingetrokken toch een asielwens had. Dit blijkt uit zijn verklaringen. [4] Uit vaste jurisprudentie volgt dat het uiten van een asielwens voldoende is om als asielverzoek te worden aangemerkt. [5] De minister heeft daarom, ondanks de formele intrekking van het asielverzoek, terecht besloten om eerst te onderzoeken of er mogelijk een risico bestond op schending van het beginsel van non-refoulement en niet meteen de bewaring op te heffen. De beroepsgrond slaagt niet.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. [6]

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S.W. Kroon, rechter, in aanwezigheid van mr. T.M.T. Brandsma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Voetnoten

1.Paragraaf A2/2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000.
2.Zoals bedoeld in HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (
3.Zie Beschikking asiel buitenbehandelingstelling d.d. 3 januari 2025.
4.Zie M110 Proces-verbaal van gehoor bij bewaring-, terugkeerbesluit en/of inreisverbod d.d. 29 november 2025, p. 9.
5.Zie bijvoorbeeld ABRvS 20 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:159 en ABRvS 16 februari 2022, ECLI:NL:RVS:2022:479.
6.Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 (