De minister van Asiel en Migratie legde op 20 november 2025 een maatregel van bewaring op aan eiser op grond van artikel 59b van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser stelde beroep in tegen dit besluit en verzocht tevens om schadevergoeding. De maatregel werd op 1 december 2025 opgeheven.
De rechtbank beoordeelde of de tenuitvoerlegging van de bewaring voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was. Eiser stelde dat er geen redelijk vermoeden van illegaal verblijf bestond, maar de rechtbank oordeelde dat een recente controle op 28 oktober 2025 waarbij een illegale vreemdeling werd aangetroffen in dezelfde woning voldoende was voor een redelijk vermoeden. De staandehouding was daarmee rechtmatig.
Verder betoogde eiser dat de bewaring te laat was omgezet na intrekking van zijn asielverzoek op 28 november 2025, maar de rechtbank stelde vast dat de bewaring terecht werd voortgezet tot 1 december 2025 vanwege een onderzoek naar mogelijke schending van het non-refoulementbeginsel, aangezien eiser ondanks intrekking van het verzoek toch een asielwens had geuit.
De rechtbank zag geen aanleiding om ambtshalve tot een ander oordeel te komen en verklaarde het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding werd eveneens afgewezen. De uitspraak werd gedaan door rechter A.S.W. Kroon op 8 december 2025.