Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RVS:2022:479

Raad van State

Datum uitspraak
16 februari 2022
Publicatiedatum
16 februari 2022
Zaaknummer
202107105/1/V3
Instantie
Raad van State
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 59 Vw 2000Art. 59b Vw 2000Art. 91 Vw 2000Art. 106 Vw 2000
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vreemdeling in bewaring gesteld met onrechtmatige grondslag, recht op schadevergoeding toegekend

De staatssecretaris van Justitie en Veiligheid stelde de vreemdeling op 31 oktober 2021 in bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000. De vreemdeling had voorafgaand aan deze bewaring een asielwens geuit. De staatssecretaris wijzigde binnen twee dagen de grondslag van de bewaring naar artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000.

De rechtbank verklaarde het beroep van de vreemdeling tegen deze bewaring ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. In hoger beroep oordeelt de Raad van State dat de bewaring van 31 oktober 2021 onrechtmatig was omdat de asielwens reeds was geuit en de grondslag van de maatregel niet tijdig was aangepast. De wijziging binnen twee dagen maakt de oorspronkelijke maatregel niet rechtmatig.

De Raad van State vernietigt daarom het vonnis van de rechtbank voor zover het de bewaring van 31 oktober 2021 betreft en kent een schadevergoeding van €260 toe aan de vreemdeling. Het beroep tegen de bewaring van 1 november 2021 wordt bevestigd en afgewezen. Tevens wordt de staatssecretaris veroordeeld tot vergoeding van proceskosten van €2.277,00.

Uitkomst: Bewaring van 31 oktober 2021 onrechtmatig verklaard en schadevergoeding toegekend; beroep tegen bewaring van 1 november 2021 afgewezen.

Uitspraak

202107105/1/V3.
Datum uitspraak: 16 februari 2022
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 12 november 2021 in zaken nrs. NL21.17167 en NL21.17205 in het geding tussen:
de vreemdeling
en
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid.
Procesverloop
Bij besluiten van 31 oktober 2021 en 1 november 2021 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in bewaring gesteld.
Bij uitspraak van 12 november 2021 heeft de rechtbank de daartegen door de vreemdeling ingestelde beroepen ongegrond verklaard en de verzoeken om schadevergoeding afgewezen.
Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. J.E. Groenenberg, advocaat te Nieuw­-Vennep, hoger beroep ingesteld.
Overwegingen
1.       De staatssecretaris heeft de vreemdeling blijkens het besluit van 31 oktober 2021 krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring gesteld. Niet in geschil is dat de vreemdeling op 31 oktober 2021 in het gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling een asielwens heeft geuit. De staatssecretaris heeft op 1 november 2021 de maatregel van bewaring opgeheven en de vreemdeling in bewaring gesteld krachtens artikel 59b, eerste lid, van de Vw 2000.
2.       In zijn eerste grief klaagt de vreemdeling terecht dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat er geen consequenties behoeven te worden verbonden aan het feit dat hij op 31 oktober 2021 krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 in bewaring is gesteld omdat de grondslag van de maatregel tijdig is gewijzigd. Omdat de vreemdeling zijn asielwens voorafgaande aan de eerste inbewaringstelling heeft geuit, heeft de staatssecretaris hem ten onrechte krachtens artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, in bewaring gesteld. Dat de grondslag van de maatregel binnen twee dagen is gewijzigd, maakt dit niet anders, omdat de maatregel van meet af aan onrechtmatig is opgelegd. In dit opzicht is hier sprake van een andere situatie dan in de door de rechtbank genoemde uitspraak van 21 februari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:504, onder 2.1, waarin de voortvarendheid van het wijzigen van de grondslag van de opgelegde maatregel van bewaring aan de orde was. De grief slaagt.
3.       Wat de vreemdeling in de grieven over de maatregel van 1 november 2021 heeft aangevoerd, leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat deze grieven geen vragen bevatten die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000).
4.       Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd voor zover zij het beroep tegen het besluit van 31 oktober 2021 ongegrond heeft verklaard en het daarmee samenhangende verzoek om schadevergoeding heeft afgewezen. De overige grieven die over die maatregel gaan, behoeven geen bespreking. Het beroep tegen het besluit van 31 oktober 2021 is gegrond. Omdat die maatregel van bewaring al is opgeheven, is een bevel tot opheffing niet nodig. De vreemdeling heeft wel recht op schadevergoeding (artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000). Deze vergoeding wordt daarom aan de vreemdeling toegekend. De uitspraak van de rechtbank over de maatregel van 1 november 2021 wordt bevestigd. De staatssecretaris moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I.        verklaart het hoger beroep gegrond;
II.       vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 12 november 2021 in zaak nr. NL21.17167;
III.      verklaart het beroep tegen het besluit van 31 oktober 2021 gegrond;
IV.      bevestigt de uitspraak in zaak nr. NL21.17205;
V.       kent aan de vreemdeling een vergoeding toe van € 260,00 over de periode 31 oktober 2021 tot en met 1 november 2021, ten laste van de Staat der Nederlanden, te betalen door de griffier van de Raad van State;
VI.      veroordeelt de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid tot vergoeding van bij de vreemdeling in verband met de behandeling van het beroep en het hoger beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 2.277,00, geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. E. Steendijk, voorzitter, en mr. B. Meijer en mr. J.H. van Breda, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. Melse, griffier.
De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.
w.g. Melse
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2022
191