Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBDHA:2025:23251

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
6 november 2025
Publicatiedatum
8 december 2025
Zaaknummer
AWB - 25 _ 1882 en AWB - 25_1891
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Proces-verbaal
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene wet bestuursrechtECLI:NL:HR:2024:59ECLI:NL:HR:2019:1102
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beoordeling rechtmatigheid in rekening gebrachte aanmaningskosten parkeerbelasting

In deze bestuursrechtelijke zaak staat centraal of de aanmaningskosten van €9 terecht aan eiser zijn opgelegd wegens het niet tijdig betalen van naheffingsaanslagen parkeerbelasting. Eiser betwist de aanmaningskosten en voert aan dat hij de naheffingsaanslagen niet heeft ontvangen en dat een deugdelijke verzendadministratie ontbreekt.

Verweerder heeft echter een verzendadministratie overgelegd waaruit blijkt dat de naheffingsaanslagen in grote batches zijn aangeboden aan PostNL, inclusief barcode-documentatie. De rechtbank acht deze bewijsvoering voldoende om aan te nemen dat de naheffingsaanslagen daadwerkelijk zijn verzonden.

De rechtbank verwijst naar jurisprudentie waarin is bepaald dat het vermoeden van ontvangst ontstaat zodra stukken per post zijn verzonden naar het adres van de geadresseerde. Eiser heeft dit vermoeden niet kunnen ontzenuwen met concrete feiten. Daarom zijn de aanmaningskosten terecht in rekening gebracht en worden de beroepen ongegrond verklaard.

De rechtbank wijst een proceskostenveroordeling af en wijst op de mogelijkheid tot hoger beroep bij het gerechtshof Den Haag binnen zes weken na verzending van deze uitspraak.

Uitkomst: De rechtbank verklaart de beroepen tegen de aanmaningskosten ongegrond en bevestigt dat de kosten terecht zijn opgelegd.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG
Team belastingrecht
zaaknummers: SGR 25/1882 en SGR 25/1891
proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 november 2025 in de zaak tussen

[eiser] , wonende te [woonplaats] , eiser(gemachtigde: N.G.A. Voorbach),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag, verweerder.

De bestreden uitspraken op bezwaar

De uitspraken [1] van verweerder van 7 maart 2025 op het bezwaar van eiser tegen de aan eiser opgelegde naheffingsaanslagen parkeerbelasting.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2025.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door [naam] . Eiser en gemachtigde zijn, zonder bericht van verhindering, niet verschenen. Eiser is door de griffier van de rechtbank bij een digitaal verzonden bericht onder vermelding van plaats, datum en tijdstip uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. Blijkens de bij het hiervoor genoemde bericht opgeslagen data in de digitale postkamer van de rechtbank is het bericht op 22 augustus 2025 verzonden via het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’. Tegelijk met het genoemde bericht is eiser per e-mailbericht naar het door haar opgegeven e-mailadres in kennis gesteld van de plaatsing van het genoemde bericht in het webportaal ‘Mijn Rechtspraak’. Gelet hierop is eiser naar het oordeel van de rechtbank overeenkomstig de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitgenodigd.

Beslissing

De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond.

Overwegingen

1. Met dagtekening 4 januari 2025 heeft verweerder een tweetal aanmaningen aan eiser doen toekomen wegens het niet tijdig betalen van de naheffingsaanslagen parkeerbelasting. De in rekening gebrachte kosten bedragen telkens € 9. Bij de bestreden uitspraak is het bezwaar van eiser tegen de aanmaningskosten ongegrond verklaard.
2. In geschil is of verweerder terecht de aanmaningskosten ten bedrage van € 9 in rekening heeft gebracht.
3. Eiser stelt dat de aanmaningskosten ten onrechte in rekening zijn gebracht nu hij de naheffingsaanslagen niet heeft ontvangen. Daartoe stelt eiser in het beroepschrift dat een deugdelijke verzendadministratie ontbreekt en dat niet blijkt dat de naheffingsaanslagen met dagtekening 9 november 2024 en 12 november 2024 daadwerkelijk zijn verzonden.
4. Verweerder stelt dat met de door hem overgelegde stukken aannemelijk is gemaakt dat de naheffingsaanslagen op de juiste wijze zijn verzonden. De aanmaningen zijn terecht verzonden en er zijn terecht aanmaningskosten in rekening gebracht.
5. In zijn arrest van 19 januari 2024 (ECLI:NL:HR:2024:59) heeft de Hoge Raad het volgende overwogen:
“3.2 In een geval als dit, waarin op de heffingsambtenaar de last rust om aannemelijk te maken dat en zo ja op welke datum het biljet van een naheffingsaanslag of een duplicaat daarvan is verzonden, houdt die bewijslast in dat hij aannemelijk dient te maken dat het stuk aan een postvervoerbedrijf ter verzending is aangeboden. Daartoe zal de heffingsambtenaar mede aannemelijk moeten maken aan welk postvervoerbedrijf het desbetreffende poststuk is aangeboden.
6. Verweerder heeft de verzendadministratie van de naheffingsaanslagen overgelegd en toegelicht ter zitting dat de naheffingsaanslagen zijn opgenomen in twee batches van respectievelijk 932 en 1878 naheffingsaanslagen met dagtekening 6 en 11 november 2024. Verweerder heeft twee tabellen meegestuurd waarin per rij gegevens staan van de 932 respectievelijk 1878 naheffingsaanslagen. Van deze rijen ziet er telkens één op de aan eiser opgelegde naheffingsaanslagen. Verweerder heeft verder verklaard dat de batches tezamen met 932 respectievelijk 1878 enveloppen zijn overgedragen aan PostNL, waarbij hij heeft gewezen op de documenten met barcode die op dat moment worden meegegeven (in beide dossiers bijlage 5). Ter zitting heeft verweerder verklaard dat de gemeente post alleen aan PostNL aanbiedt. De rechtbank ziet geen reden om aan de inhoud van deze ter zitting afgelegde verklaring te twijfelen. Gelet hierop stelt de rechtbank vast dat voldoende aannemelijk is dat de naheffingsaanslagen aan PostNL ter verzending zijn aangeboden.
7. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het stuk op dat adres. Het ligt daarom op de weg van eiser om voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient eiser feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst of de aanbieding van de besluiten redelijkerwijs kan worden betwijfeld (ECLI:NL:HR:2019:1102). De enkele ontkenning van de ontvangst van de naheffingsaanslagen op het adres van eiser ontzenuwt het vermoeden van ontvangst niet.
8. Gelet op het voorgaande zijn de aanmaningskosten van € 9 terecht in rekening gebracht en zijn de beroepen ongegrond.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Sahebali, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M.M. Schillings, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 november 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof Den Haag (team belastingrecht).
Dat kan digitaal via www.rechtspraak.nl, daar klikt u op “Formulieren en inloggen”. Hoger beroep instellen kan ook door verzending van een brief aan het gerechtshof Den Haag (belastingkamer), Postbus 20302, 2500 EH Den Haag.
Bij het instellen van het hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:
1 - bij het hogerberoepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;
2 - het hogerberoepschrift is, indien het op papier wordt ingediend, ondertekend.
Verder vermeldt u ten minste het volgende:
a. de naam en het adres van de indiener;
b. de datum van verzending;
c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;
d. de redenen waarom u het niet eens bent met de uitspraak (de gronden van het hoger beroep).

Voetnoten

1.Uitspraken op bezwaar met kenmerk 24.80.259908 en 24.80.255754.