In deze uitspraak beoordeelt de Rechtbank Den Haag het beroep van een Eritrese eiseres tegen de afwijzing van haar asielaanvraag. Eiseres, geboren in 1981, heeft op 25 februari 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel, die door de minister op 26 maart 2025 als kennelijk ongegrond is afgewezen. De rechtbank behandelt het beroep op 2 juni 2025, waarbij eiseres en haar gemachtigde aanwezig zijn, evenals een tolk. De rechtbank oordeelt dat het beroep gegrond is en vernietigt het besluit van de minister, omdat deze niet voldoende heeft onderbouwd dat de eiseres bij terugkeer naar Eritrea geen risico loopt op vervolging of ernstige schade. Eiseres heeft aangevoerd dat zij vanwege de medische situatie van haar zoon, die grotendeels blind is, en haar vrees voor mobilisatie en problemen door het verstrijken van haar visum, niet kan terugkeren. De rechtbank concludeert dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met de gevolgen van de medische situatie van de zoon en de mogelijke risico's bij terugkeer. De rechtbank geeft de minister de opdracht om binnen zes weken een nieuw besluit te nemen, rekening houdend met deze uitspraak. Tevens worden de proceskosten van eiseres vergoed.