ECLI:NL:RBDHA:2025:22866

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
3 december 2025
Publicatiedatum
3 december 2025
Zaaknummer
25.56938
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 59 VwArt. 96 Vw
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen voortzetting maatregel van bewaring in vreemdelingenrecht

De minister heeft op 20 juli 2025 aan eiser de maatregel van bewaring opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser stelde beroep in tegen het voortduren van deze maatregel en verzocht tevens om schadevergoeding.

De rechtbank had deze maatregel reeds eerder getoetst en oordeelde toen dat de maatregel tot het sluiten van het onderzoek op 31 oktober 2025 rechtmatig was. In deze procedure stond alleen de rechtmatigheid van de maatregel na die datum ter beoordeling.

De rechtbank concludeert dat er geen zicht ontbreekt op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije, mede omdat een lp-traject is opgestart en de Algerijnse autoriteiten de verstrekking van de lp hebben toegezegd. De minister werkt voldoende voortvarend aan de uitzetting, zoals blijkt uit de voortgangsrapportage en het vertrekgesprek met eiser.

De rechtbank ziet geen grond om de maatregel onrechtmatig te achten in de periode na het vorige onderzoek en verklaart het beroep ongegrond. Het verzoek om schadevergoeding wordt eveneens afgewezen. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het beroep tegen de voortzetting van de maatregel van bewaring wordt ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding wordt afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.56938

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer],
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. V.R. Bloemberg).

Procesverloop

1. De minister heeft op 20 juli 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw [1] opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.
1.1.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
1.2.
De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd.
1.3.
De rechtbank heeft het beroep op 28 november 2025, met behulp van telehoren, op zitting behandeld. Eiser is verschenen op het detentiecentrum in Rotterdam, bijgestaan door zijn gemachtigde. Ook is een tolk verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 6 november 2025 [2] volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom staat nu alleen ter beoordeling of sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek op 31 oktober 2025 de maatregel van bewaring rechtmatig is.
3. Als de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.
Oordeel van de rechtbank
4. De rechtbank is van oordeel dat zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn naar Algerije in het algemeen niet ontbreekt. [3] De rechtbank ziet geen aanleiding om hiervan af te wijken. Hiervoor acht de rechtbank van belang dat voor eiser een lp-traject is opgestart en dat de Algerijnse autoriteiten inmiddels de verstrekking van de lp hebben toegezegd.
4.1.
Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Uit de voortgangsrapportage blijkt dat er sinds het sluiten van het onderzoek in de vorige procedure eenmaal schriftelijk is gerappelleerd bij de Algerijnse autoriteiten, en dat er een vertrekgesprek is gevoerd met eiser.
4.2.
De rechtbank ziet ook voor het overige geen grond voor het oordeel dat de maatregel in de periode tussen het sluiten van het vorige onderzoek en het sluiten van het onderhavige onderzoek op enig moment onrechtmatig was.

Conclusie

5. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank:
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Ketelaars-Mast, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. Postma, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Vreemdelingenwet 2000.
2.NL25.51038.
3.Zie de Afdelingsuitspraak van 6 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1892, bevestigd in de uitspraak van 27 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:722.