De minister heeft op 15 juli 2025 een maatregel van bewaring opgelegd aan eiser op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet. Eiser heeft tegen het voortduren van deze maatregel beroep ingesteld en tevens een verzoek om schadevergoeding ingediend.
De rechtbank heeft eerder op 19 september 2025 geoordeeld dat de maatregel tot dat moment rechtmatig was. In deze procedure stond centraal of het voortduren van de maatregel na 12 september 2025 nog rechtmatig is. Eiser stelde dat er geen redelijk vooruitzicht is op uitzetting naar Tunesië en dat hij vanwege een traumatische gebeurtenis psychische hulp nodig heeft die hij niet ontvangt.
De minister stelde dat eiser onvoldoende meewerkt aan het verkrijgen van een laissez-passer en dat de psychische problemen niet voldoende zijn onderbouwd. De rechtbank oordeelde dat er geen reden is om aan te nemen dat uitzetting binnen redelijke termijn niet mogelijk is en dat de minister voldoende voortvarend handelt. Ook is niet gebleken dat de psychische zorg in het detentiecentrum ontoereikend is.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep ongegrond en wees het verzoek om schadevergoeding af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.