ECLI:NL:RBDHA:2025:22657

Rechtbank Den Haag

Datum uitspraak
27 november 2025
Publicatiedatum
1 december 2025
Zaaknummer
NL24.9244
Instantie
Rechtbank Den Haag
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep tegen terugkeerbesluit van een Nigeriaanse vreemdeling met tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne

In deze zaak heeft de Rechtbank Den Haag op 27 november 2025 uitspraak gedaan in een beroep tegen een terugkeerbesluit van de minister van Asiel en Migratie. Eiseres, een Nigeriaanse vrouw, had een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne en stelde dat zij rechtmatig verblijf had in Nederland op basis van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. Het bestreden besluit, dat op 21 februari 2024 was genomen, stelde dat eiseres met ingang van 5 maart 2025 geen verblijfsrecht meer had en legde een terugkeerbesluit op. Eiseres heeft hiertegen beroep ingesteld en verzocht om een voorlopige voorziening, die werd toegewezen. Op 18 augustus 2025 verving de minister het eerdere terugkeerbesluit door een nieuw besluit, waartegen eiseres opnieuw in beroep ging.

De rechtbank oordeelde dat het terugkeerbesluit op goede gronden was genomen. Eiseres had geen rechtmatig verblijf meer op het moment van het nieuwe besluit, omdat de facultatieve tijdelijke bescherming was beëindigd. De rechtbank verwierp de argumenten van eiseres dat zij onder de bevriezingsmaatregel viel en dat de minister onvoldoende had getoetst aan artikel 3 en artikel 8 van het EVRM. De rechtbank concludeerde dat er geen belangen waren die aanleiding gaven tot een beoordeling van het ingetrokken terugkeerbesluit van 21 februari 2024. Eiseres werd in het ongelijk gesteld, en de rechtbank veroordeelde de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 907,-.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.9244

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , V-nummer: [v-nummer] , eiseres

(gemachtigde: mr. A. Berends),
en
de minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verweerder
(gemachtigde: mr. D. Gigengack).

Inleiding

1. Bij besluit van 21 februari 2024 (het bestreden besluit) heeft verweerder vastgesteld dat eiseres met ingang van 5 maart 2025 geen verblijfsrecht meer heeft en daarbij een terugkeerbesluit opgelegd aan eiseres.
1.1.
Eiseres heeft op 5 maart 2024 tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer NL24.9247.
1.2.
Op 20 maart 2024 heeft de voorzieningenrechter het verzoek om de voorlopige voorziening toegewezen, ertoe strekkende dat het terugkeerbesluit wordt geschorst en eiseres niet mag worden uitgezet tot op het beroep is beslist.
1.3.
Op 18 augustus 2025 heeft verweerder het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 vervangen door een nieuw terugkeerbesluit (het bestreden besluit). Het al ingestelde beroep heeft van rechtswege mede betrekking op dit nieuwe terugkeerbesluit. [1]
1.4.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. Eiseres heeft daarop gereageerd.
1.5.
Met toestemming van partijen doet de rechtbank uitspraak zonder zitting. [2]

Beoordeling door de rechtbank

Waar gaat de zaak over?
2. Eiseres stelt de Nigeriaanse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [geboortedatum] 1998. Eiseres verbleef op basis van een tijdelijke verblijfsvergunning in Oekraïne op het moment dat de invasie van Oekraïne door de Russische strijdkrachten begon. Tot 4 maart 2024 heeft eiseres rechtmatig verblijf in Nederland gehad op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming. [3]
3. Op 21 februari 2024 heeft verweerder een terugkeerbesluit opgelegd aan eiseres. Eiseres heeft hier beroep tegen ingesteld. Op 18 augustus 2025 heeft verweerder dit besluit vervangen door een nieuw terugkeerbesluit. Redengevend hiervoor is dat het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 prematuur werd genomen omdat eiseres nog rechtmatig verblijf had op grond van de facultatieve tijdelijke bescherming.
Wat vindt eiseres?
4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe aan dat verweerder geen terugkeerbesluit had mogen opleggen, omdat zij nog rechtmatig verblijf heeft. Ten eerste valt eiseres namelijk onder de bevriezingsmaatregel. Daarnaast heeft eiseres procedureel rechtmatig verblijf op grond van de toegewezen voorlopige voorziening en verzet de Terugkeerrichtlijn [4] zich daarom tegen de vaststelling dat het verblijf illegaal is. Eiseres verwijst daarbij naar punt 40 van het arrest Gnandi. [5] Verder had verweerder een beoordeling moeten maken in het kader van artikel 3 en artikel 8 van het EVRM. [6]
Wat is het oordeel van de rechtbank?
5. Uit de uitspraken van de Afdeling [7] en het arrest Kaduna en Abkez [8] volgt dat verweerder geen terugkeerbesluit kan opleggen wanneer een vreemdeling (nog) rechtmatig verblijf in Nederland heeft. Dat geldt ook voor de situatie waarin een vreemdeling rechtmatig verblijf heeft op grond van facultatieve tijdelijke bescherming. De rechtbank stelt vast dat eiser op 18 augustus 2025 geen rechtmatig verblijf had. Daartoe is het volgende van belang.
5.1.
De Afdeling heeft in haar uitspraken van 23 april 2025 geoordeeld dat verweerder de facultatieve tijdelijke bescherming van derdelanders die een tijdelijke verblijfsvergunning hadden in Oekraïne mocht beëindigen op 4 maart 2024. [9] In die uitspraken heeft de Afdeling ook geoordeeld dat verweerder geen toezeggingen heeft gedaan waaruit derdelanders mochten afleiden dat hun tijdelijke bescherming net zo lang zou duren als de verplichte tijdelijke bescherming. De Afdeling heeft de brief aan de Tweede Kamer waar eiser zich op beroept bij haar oordeel betrokken. Ten slotte heeft de Afdeling geconcludeerd dat schending van het Unierechtelijke rechtszekerheids- of het vertrouwensbeginsel niet aan de orde is. De rechtbank ziet geen aanleiding om hier anders over te oordelen.
5.2.
Daarnaast levert de bevriezingsmaatregel geen rechtmatig verblijf op als bedoeld in de Terugkeerrichtlijn. De rechtbank verwijst hierbij naar de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2025. [10] Ook de toegewezen voorlopige voorziening maakt niet dat verweerder geen terugkeerbesluit had kunnen opleggen. Voor de interpretatie van het begrip “illegaal” in de zin van de Terugkeerrichtlijn moet mede worden gekeken naar het Terugkeerhandboek. [11] In punt 1.2. van het Terugkeerhandboek staat dat personen aan wie uitstel van verwijdering is verleend als illegaal in de betrokken lidstaat verblijvend worden beschouwd.
6. De rechtbank oordeelt verder dat verweerder in het voornemen, dat deel uitmaakt van het bestreden besluit, voldoende is ingegaan op het risico van een artikel 3 EVRM-schending. Eiseres heeft hier niets tegenin gebracht. Over artikel 8 van het EVRM oordeelt de rechtbank dat er geen rechtsregel is die verweerder ertoe verplicht om ambtshalve aan deze norm te toetsen. Zowel over artikel 3 als artikel 8 van het EVRM overweegt de rechtbank dat eiseres onvoldoende concrete aanknopingspunten heeft aangedragen die het oordeel anders zouden maken.

Conclusie en gevolgen

7. Het beroep is ongegrond. Het terugkeerbesluit van 18 augustus 2025 is op goede gronden genomen. Er zijn geen belangen gesteld of gebleken die aanleiding geven tot een beoordeling van het ingetrokken terugkeerbesluit van 21 februari 2024 als bedoeld in artikel 6:19, zesde lid, van de Awb.
8. Nu verweerder het besluit waartegen eiseres beroep had ingesteld, heeft ingetrokken, ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in het vergoeden van de proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op € 907,-. [12]

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond.
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 907,-.
Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. J.R. Froma, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen
vier wekenna de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Op grond van artikel 8:81 j.o. 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Op grond van artikel 8:57 van de Algemene wet bestuursrecht.
3.Richtlijn 2001/55/EG van de Raad van 20 juli 2001 betreffende minimumnormen voor het verlenen
4.Richtlijn 2008/115/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 over gemeenschappelijke normen en procedures in de lidstaten voor de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op hun grondgebied verblijven.
5.Arrest van het HvJEU van 19 juni 2018, in de zaak Sadikou Gnandi tegen de Belgische Staat, ECLI:EU:C:2018:465.
6.Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.
7.Zie de uitspraak van de Afdeling van 23 april 2025, ECLI:NL:RVS:2025:1829.
8.Hof van Justitie van de Europese Unie van 19 december 2024, ECLI:EU:C:2024:1038.
10.Zie de uitspraak van de Afdeling van 31 oktober 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5213, rechtsoverweging 1.
11.Aanbeveling (EU) 2017/2338 van 16 november 2017.
12.1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor 1.