Uitspraak
RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Procesverloop
Overwegingen
Eiser heeft de Marokkaanse nationaliteit. Hij betoogt dat het vertrouwensbeginsel en het evenredigheidsbeginsel in de weg staan aan het beëindigen van het recht op tijdelijke bescherming. Het opgelegde terugkeerbesluit is bovendien disproportioneel. De Richtlijn Tijdelijke Bescherming [1] en de handelwijze van de minister geven aanleiding tot ambtshalve toetsing van artikel 8 van het EVRM en een refoulementbeoordeling. Tot slot stelt eiser dat het terugkeerbesluit prematuur is genomen.
Het antwoord op de vraag of de facultatieve tijdelijke bescherming kon worden beëindigd is reeds gegeven door de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling).
19 juli 2022 ingeschreven waren in de Basisregistratie personen (Brp) op 4 maart 2024 eindigt. [2]
4 maart 2024.
Na de uitspraak van 17 januari 2024 zijn alsnog prejudiciële vragen gesteld. [6] De gevolgen van beëindiging van de tijdelijke bescherming zijn bevroren in afwachting van beantwoording van deze vragen. [7] Deze maatregel is per 4 september 2025 stopgezet. [8]
Daarmee resteert nog de vraag of de minister (op 28 juli 2025) bevoegd was een terugkeerbesluit uit te vaardigen.
Anders dan eiser bepleit, ziet de rechtbank in de Terugkeerrichtlijn [9] en in het arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2024 geen grond voor het oordeel dat een terugkeerbesluit eerst vanaf 4 september 2025 kon worden genomen.
4 maart 2024 geëindigd. Het aan de orde zijnde terugkeerbesluit is op 28 juli 2025 genomen.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.